CADDELL
(CADELL, CALDER, CATTELL)
Zie "Campell" of "Cawdor".

CALHOUN
Zie "Colquhoun".

CALLESTAR
Zie "Alexander"


CAMERON (CAMBRON)
Gerelateerd met de "Chattan"-clan.
Men kan aannemen dat de naam Cameron afgeleid is van de Keltische woorden "cam" en "sron" , wat “kromme neus” betekent.  Of zoals een Mevrouw Cameron onlangs tegen een Mevrouw Campbell pleegde te zeggen: “Ik heb liever  een kromme neus dan een scheve mond” (zie verder).  De eerste schrijfwijze van de naam is Cambron en de aanwezigheid van de ‘b’ laat de moderne studenten geloven dat de naam afgeleid is van de Landerijen van Camberone (nu de parochie Cameron) in Fife.  Het is zeker waar dat een bekende drager van de naam, Richard Cameron, woonachtig was in Fife en bekend was als fanatieke Schot; het Cameronian legerregiment werd ooit ter zijner ere opgericht.
Waar ook de oorsprong van de naam te zoeken is, de Camerons waren een van de oudste en oorlogszuchtige van de Highland clans.  In de veertiende eeuw was de clan gevestigd in Lochaber; in deze omgeving zijn nu nog steeds de meeste Camerons terug te vinden.
Zij waren een van de felste aanhangers van het Huis van de Stewarts en de strijd bij Glenfinnan zou wellicht op een sisser zijn uitgelopen als Lochiel niet ten tonele was verschenen met 700 Cameron clanleden.
In elk geval was de clan groot in getale en machtig.  Als familienaam komt de naam Cameron echter niet zo veel voor als bijvoorbeeld MacDonald of Stewart.  De reden hiervoor is wellicht het feit dat niet alle clanleden de naam als familienaam droegen.  Velen verkozen oude namen als MacChlerich, MacGillonie, MacIldowie, MacOnie, MacOurlie, Mac Walrick, Mac Eantach en MacAngus, wat hun wat voornamer maakte bij het uitzwermen naar andere streken van Schotland.


CAMPBELL
De naam is afgeleid van twee Keltische woorden, “cam” wat “scheef” betekent en “beul” wat “mond” betekent.
Het komt niet veel voor dat niet samengaande bijnamen een waardige achternaam vormen.
Vergeet de mogelijk afleiding uit het Latijn “Campo Bello’, want Latijn werd bijna niet gesproken in Campbell county.
Wie de oorspronkelijke “Scheve Mond” was zullen we wellicht nooit achterhalen, want de clan kent zijn legendarische oorsprong in de wazige Ossianic sage en de allereerste tekenen van bestaan vinden we terug in het Schotse Koninkrijk van Dalriada, nu Lorne en Argyll.
De Campbells waren ofwel fel vooruitziend of gelukkig in hun huwelijksverbintenissen.  Beloond voor hun steun aan Robert the Bruce, gebruikten ze hun tanende macht om zich te verzetten tegen de MacDonald’s heerschappij over de eilanden; later speelden ze het steeds klaar om aan bij de winnende partij te behoren in de burgeroorlogen en de Jacobite-opstanden.  Consequent leden ze veel kinder dan andere clans onder de teloorgang van de macht van de clans in het midden van de achttiende eeuw.
Tijdens Victoria's regering waren er niet minder dan veertig Campell landgoeden in Schotland, in totaal goed voor 1.250.000 landerijen.  Het merendeel hiervan was eigendom van de Hertog van Argyll, maar er lagen ook nog grote oppervlaktes in Perthshire, Stirlingshire, Ayrshire en Nairnshire.
De clan Campbell was zeer groot in getale en een ongebruikelijk aantal onder hen droeg de clanachternaam. Bekend is dat, tijdens de nasleep van '45 toen een Stuart beticht werd van de Appinmoord, zelfs elf van de vijftien juryleden (vrij gekozen onder de bevolking) de naam Campbell droegen.  Natuurlijk is er ook het feit dat in de zeventiende en achttiende eeuw mensen betaald werden om de naam Campbell te dragen (zie ook bij MacGregor.
De Campbell's waren in 1692 ook rechtstreeks betrokken bij de moordpartij in Glencoe, waarbij de hele Mac Donald Clan werd door hun werd uitgemoord.
De Schotse groep "The Corries" heeft er een song aan gewijd.

CAMPBELL OF BREADALBANE
De Campbells van Glenorchy (Breadalbane) stammen af ​​van Black Colin of Glenorchy, de 3de zoon van Sir Duncan Campbell van Loch Awe, 1ste Lord Campbell, door zijn huwelijk met Lady Marjorie Stewart. Met de verspreiding van de MacGregors uit Glenorchy in de late 15e eeuw, schonk Sir Duncan de eigendommen aan Black Colin, die door huwelijk met een mede-erfgename van John, Lord of Lorne, ook een derde van de landen van Lorne erfde. Hij was het die het kasteel van Kilchurn aan het noordoostelijke uiteinde van Loch Awe bouwde, om de toegangspoort tot de West Highlands te controleren. In dit opzicht zou de chef van Glenorchy van het oostelijke uiteinde van Loch Tay naar de kust van Argyll kunnen reizen zonder zijn eigen land te verlaten.
In 1681 verkreeg John Campbell van Glenorchy, 1ste Earl of Breadalbane en Holland, nadat hij gunst van Willem van Oranje had bekomen de verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat de leiders van de Highland Jacobites akkoord zouden gaan met de invasie van koning William, hoewel bekend is dat hij een relatief onpartijdige houding aannam. Deze onpartijdigheid erd volledig tenietgedaan in 1692 toen zijn cadetclan, de Campbells of Glenlyon, hem betrokken bij het bloedbad van de clan Macdonald bij Glencoe.
In 1831 werd John, de 4de Graaf tot 1ste Markies van Breadalbane aangesteld, maar met de dood van de 2de Markies  stierf deze titel uit. In 1885 werd zijn verwant Gavin, de zevende graaf van Breadalbane, opnieuw tot markies aangesteld, maar ook hij stierf, zodat de titel definitief verdween.
Kilchurn Castle in Loch Awe (Argyll) werd gebouwd door Sir Colin Campbell van Glenorchy in 1440, hoewel de traditie beweert dat het werd gebouwd door zijn vrouw omdat Sir Colin op dat moment op een kruistocht was.
Taymouth Castle in Kenmore (Perthshire) is een kasteel dat hier werd gebouwd door Colin Campbell van Glenorchy in 1550 op de plaats van wat ooit Balloch Castle was geweest. In 1842 waren koningin Victoria en haar gemaal Prins Albert hier te gast in het Markiezaat (gewest) van Breadalbane. Het Taymouth Estate werd na de Eerste Wereldoorlog afgebroken. Hoewel het momenteel niet bewoond is, wordt het kasteel toch nog verzorgd door een full-time conciërge.
Edinample Castle bij Loch Earn (Perthshire) werd in de 7de eeuw gebouwd door Sir Duncan Campbell in de 17e eeuw op de plaats van een voormalig MacGregor-bolwerk.
Finlarig Castle dichtbij Killin (Perthshire). Dit was de 16de eeuwse zetel van de Campbells van Glenorchy. Het Schotse parlement werd hier bijeengeroepen in 1651, maar slechts drie leden kwamen opdagen. Naast het kasteel staan ​​de overblijfselen van het Breadalbane Mausoleum, een Tudor-kapel die gebouwd werd in 1829.


CAMPBELL OF CAWDOR
De Campbells verwierven de oude erfenis van Cawdor in 1510 door het huwelijk van Sir John Campbell met Muriel, de 12-jarige Calder erfgename, die als baby door de Campbells was gekidnapt. Ondanks de implicaties hiervan lijkt het huwelijk echter te hebben gewerkt. Toen ze stierf, ging het landgoed en de titels over op haar kleinzoon John, vandaar de naam "Campbells van Cawdor".
Deze Sir John trouwde met Mary Keith, een dochter van de machtige graaf Marischal en een jongere zus van de Mary huwde met de Regent Moray, die nadien werd vermoord. Hierna trouwde zijn weduwe met Colin, de 6de graaf van Argyll en kanselier (chancellor) van Schotland. Na de dood van de graaf van Argyll werd Sir John tot voogd aangesteld van de jonge 7de graaf van Argyll, maar in 1591 werd hij door Campbell van Ardkinglas vermoord in een samenzwering door zijn collega-voogden. Er werd wat afgemoord!
In 1625 kocht Campbell van Cawdor Islay en Jura van de Macleans van Duart. Dit was het hoogtepunt van een lange en bittere vete om controle over deze twee grote eilanden te krijgen. De eilanden werden nadien verkocht door Sir Alexander Campbell van Cawdor, die trouwde met Elizabeth, zus en erfgenaam van Sir Gilbert Lort, van Stackpole Court (Pembrokeshire). Daarna nam het gezin zijn intrek in Wales. De situatie verslechterde toen John, de zoon van Sir Alexander, trouwde met de oudste dochter en mede-erfgename van Lewis Pryse uit Gogirthen uit Wales. In 1790 werd John Campbell benoemd tot Lord Cawdor van Castlemartin in het graafschap Pembroke. In 1827 werd zijn zoon tot 1ste Graaf Cawdor aangesteld. Het was de 5de graaf Cawdor, een luitenant-kolonel van de Cameron Highlanders tijdens de Tweede Wereldoorlog, die opnieuw Cawdor Castle tot het belangrijkste huis van zijn familie maakte. Hij was voorzitter van de Scottish Historic Buildings Council en werd beheerder van het National Museum of Antiquities. Hij stierf in 1970.
Cawdor Castle, in de buurt van Nairn (Nairnshire) werd gebouwd over een meidoornboom in circa 1454 door William Thane van Cawdor. Tijdens de middeleeuwen kwam het in handen van de Campbells en werd het de zetel van de graaf Cawdor sinds 1510.
Septs van deze familie: Caddell, Cadell, Calder, Cattell, Torrie en Torry.


CAR
(CARR, CEARR)
Zie "Kerr"

CARLAW
(CARLE, CARLEY, CARLLEY, CARRLEY, CARRLEYS, CARLIE, CARLEIGH, CARLEA, CARLEE, CARRLIE, CARLEYS, CARLEAS, CARLAY, KARLEY)
Deze naam is afgeleid van een locatienaam. Dit oud-Engelse woord (7de eeuw) betekent "rots" (car) en "heuvel, begraafplaats" (hlaw).
De voorouders van de eerste familie die de naam Carlaw gebruikten, leefden tussen de voormalige Schotse Picten. De familie Carlaw woonde in Aberdeen (onderdeel van de moderne Grampian-regio), waar de naam al sinds zeer vroege tijden te vinden is.
De achternaam Carlaw werd voor het eerst gevonden in Aberdeenshire (Gaelic: Siorrachd Obar Dheathain), een historische provincie en het huidige Council Area van Aberdeen, gelegen in de Grampian regio in het noordoosten van Schotland, waar ze een familiezetel hadden vanaf zeer oude tijden, zeggen sommigen van vóór de verovering in 1066.


CARLYLE
Zie "Bruce"


CARMICHAEL
De achternaam is afkomstig van een baronie in Lanarkshire. Dit grondgebied werd verleend aan de familie Douglas door Robert the Bruce in 1321. In circa 1221, had Robert de Carmitely de titel van Lord in het land van Cleghorn en Willian de Creimechel was getuige van een oorkonde in 1225. Tussen 1374 en 1384 stelde  Sir John de Carmychell een oorkonde op voor de landerijen van Carmychell voor William, graaf van Douglas.
Het eigendomsrechts van de baronie van Carmichael ging over naar het clanhoofd van de familie in 1414. Sir John de Carmichael van Meadowflat vocht samen met Schotse huurlingen die naar Frankrijk waren gestuurd om het Franse leger te helpen tegen de Engelse invasie van Henry V.
In de Slag bij Baugé zou hij zijn speer hebben gebroken terwijl hij de ongelukkige hertog van Clarence van zijn paard gooide, een actie die leidde tot de dood van de hertog door Sir Alexander Buchan. Daarna waren de Engelsen zo gedemoraliseerd dat ze het slagveld ontvluchtten. Als erkenning voor de diensten die de Schotten aan Frankrijk hadden verleend, werd John Carmichael bisschop van Orleans. Hij staat in de Franse geschiedenis bekend als Jean de St Michel en droeg in 1429 een Messe Cossais (Schotse Mis) op in zijn kathedraal ter nagedachtenis van zijn landgenoten die werden gedood in de Slag om Verneuil in 1424. In de volgende eeuw werd Catherine, dochter van Sir John Carmichael van Meadowflat, minnares van James V, waarvan ze een zoon kreeg die een halfbroer was van Mary, Queen of Scots. In 1546 was Peter Carmichael van Balmedie één van de vier samenzweerders die verantwoordelijk werden gehouden voor het doden van kardinaal Beaton in St. Andrews. Sir John Carmichael werd geridderd door James VI bij de kroning van koningin Anne.
Hij werd kapitein van de koningswacht en bewaker van de West Marches. Later werd hij echter neergeschoten tijdens een schermutseling met Armstrong-afvalligen in Dumfriesshire. Sir James, de 1ste Lord Carmichael werd in 1647 in de adel opgevoed. Zijn zoon trouwde met de dochter van de markies van Douglas. In 1701 werd hun zoon, een aanhanger van Charles I benoemd tot Graaf of Hyndeford. Zijn loyaliteit aan de kroon wankelde echter en de 2de graaf koos de kant van de parlementariërs onder Oliver Cromwell. Hij voerde het bevel over het Clydesdale-regiment in de Slag om Marsden Moor in 1644 en het jaar daarop versloeg hij de markies van Montrose in Philiphaugh. De 3de graaf echter, steunde de Hannoveranen. In Galloway en het zuidwesten namen sommige Carmichaels de naam MacMichael aan en tijdens de Slag om Culloden. In 1746 behoorden de Carmichaels (Macmichaels) tot de grootste groep doden die vochten voor de Stewarts van Appin. De zuidelijke Carmichaels, die vochten voor de hertog van Cumberland hadden evenveel slachtoffers.
In 1817 stierf de 6de graaf van Hyndeford ongehuwd en de familietitel en eer sluimerden, waarbij het eigendomsrecht van de landeigendommen overging naar de vrouwelijke lijn van Sir John Anstruther van Anstruther.
Zijn claim kwam voort uit zijn afstamming van een dochter van de 2de graaf. Het eigendomsrecht bleef bij de familie Carmichael-Anstruther tot de dood van Sir Wyndham Carmichael-Anstruther in 1980, waarna het Chiefship overging op Richard Carmichael van Carmichael die destijds in Nieuw-Zeeland woonde. De 30ste Chief keerde terug met zijn gezin naar Schotland en tweehonderd Carmichaels woonden de Carmichael reunie in 1983 bij. De meest recente clanbijeenkomst vond plaats in Carmichael in 2000. De Carmichael Clan Society is nog wereldwijd actief.
Carmichael Estate Visitor Centre nabij Biggar (Lanarkshire) kan bezocht worden. Op het landgoed kan je ook verblijven. De landerijen van Carmichael produceren traditionele vleesproducten, waaronder wild, rundvlees en lamsvlees. De Carmichael Chief is een vaste standhouder op de wekelijkse boerenmarkten doorheen heel Schotland. Fenton Towe (East Lothian) werd rond 1550 gebouwd door Patrick Whytelaw, zoon van Lord Ruthven.Het is een typische versterkte toren uit die tijd. Maar in 1587 ging het eigendomsrecht van de toren over naar Sir John Carmichael, als een beloning voor het feit dat hij de Schotse ambassadeur in Denemarken was. Fenton Tower is nu volledig gerestaureerd en is een luxeverblijf voor maximaal twaalf personen. De achternaam Carmichael wordt meestal gevonden in Glasgow, Dunbartonshire, Lewis in de Buiten-Hebriden, Renfrewshire, Argyll en Bute, Perth en Kinross (Perthshire en Kinross-shire) en Dumfries en Galloway (Dumfriesshire, Kirkcudbrightshire en Wigtownshire) .


CARNEGIE
In 1358 deed Walter de Maule een schenking van de landen van "Carryneggy" (Carmyllie in het zuidoosten van Angus) aan John de Ballinhard, die, nadat deze transactie door David II was bevestigd, de naam Carnegie aannam. Deze lijn verviel echter in 1563. Dit werd nadien hersteld door de Carnegies van Kinnaird tegen het einde van de 16e eeuw. Duthac de Carnegie, tweede zoon van John de Ballinhard, was getuige van een verkoopakte in Aberdeen in 1383.
Hij en zijn zoon John de Ballinhard waren de stamvaders van het Huis van Southesk en het Huis van Ethie. Duthac werd gedood in de Slag om Harlaw in 1411. Zijn zoon Walter Carnegie van Kinnaird, vocht onder de standaard van James II in de Slag om Brechin in 1452. In 1513 stierf John Carnegie van Kinnaird terwijl hij vocht voor James IV in de Slag om Flodden. Zijn zoon, Sir Robert, lid van het Justitiecollege, werd naar Engeland gestuurd om te onderhandelen over de vrijlating van de graaf van Huntly, de kanselier van Schotland, die in 1547 gevangen werd genomen in de Slag om Pinkie Cleugh. De zoon van Sir Robert, John, was een loyale aanhanger van Mary Queen of Scots. Hij stierf zonder kinderen, waardoor de familiebedrijven overgingen naar zijn jongere broer Sir David, die in 1616 Lord Carnegie of Kinnaird werd en nadien in 1633 Graaf van Southesk. In 1662 werd het graafschap van Northesk overgenomen door zijn jongere broer John, die in 1647 tot graaf was verheven als graaf van Ethie, maar de voorkeur gaf aan het alternatief van Northesk. In 1923 trouwde de 11de graaf van Southesk, toen Lord Carnegie, hare Hoogheid Prinses Maude, kleindochter van Edward VII.
Hun zoon, naast erfgenaam van zijn vaders titel van graaf en Clanchief Carnegie, werd Hertog van Fife. De familiezetel is Kinnaird Castle in Brechin (Angus). De 6de graaf van Northesk (1716-1792) werd admiraal bij de Koninklijke Marine.
Zijn zoon, de 7de graaf van Northesk (1758-1831) was derde bevelhebber onder admiraal Lord Nelson in de Slag om Trafalgar. Andrew Carnegie (1835-1918) was de zoon van een in Dunfermline gevestigde linnenwever die in 1848 naar Pittsburgh (Pennsylvania VS) emigreerde. Door te werken in de ijzer- en staalindustrie werd hij een van de rijkste mannen van zijn generatie en maakte bekendheid als weldoener.
Kinnaird Castle in Brechin in Angus, dat dateert uit de 12de eeuw, is de zetel van de graven van Southesk en hertogen van Fife.
Skibo Castle (Dornoch in Sutherland), dateert uit de 12e eeuw. In 1898 werd het gekocht en verbouwd door de tycoon Andrew Carnegie. Vandaag, met zijn 18-holes golfbaan, wordt het gerund voor de exclusieve leden van de Carnegie Club.
De achternaam Carnegie komt het meest voor in Angus (Forfarshire), Dundee City, Aberdeenshire en Perth and Kinross (Perthshire en Kinross-shire).


CARRUTHERS
(CAROTHERS)
Zie "Bruce"
De naam is ook gerelateerd aan de volgende families:
Mouswald, Holmains, Rammerscales, dormont, Butterwhat, Denbie, Fourteenacre, Woodfoot and Milne, Woodhead, Kinnell Hall, Macmaw, Breconsyde, Broomhills, Whitecroft (Nether Denbie), Nether Wormanbie, Breckonhill, Hardriggs en Portrack. Veel van deze families wonen enkel in de Verenigde Staten.


CARTWRIGHT
Zie "Wright"


CATTANACH
Gerelateerd met de "Chattan"-clan.

CAULEY
(CAULAY)
Zie "MacAULEY"


CHARTERIS
(CARNOTO)
De familie zou afkomstig zijn uit de Franse stad Chartres en in 1066 met Willem de Veroveraar naar Engeland zijn gekomen. Sir Thomas de Charteris, Lord Kanselier (Chancellor) van Scotland, had de wijk Amysfield in Nithsdale (Dumfriesshire) aan hem geschonken na de dood van Alexander III in 1286. Robert de Chartres en William de Chartres van Roxburghshire brachten eer aan Edward I van Engeland in 1296. Men vermoedt dat een zoon en kleinzoon de heer van Chartres David I vergezelden toen hij terugkeerde naar Schotland toen zijn zwager Henry I daar met de scepter zwaaide. De gelatiniseerde versie van de naam is de Carnoto. Tijdens het bewind van Willem de Leeuw zien we dat de kerk van Dungrey wordt geschonken aan de Abdij van Kelso door Walter de Carnoto. William de Charteris was een tijdgenoot van Robert the Bruce en was bij hem in 1306 toen de Red Comyn werd vermoord in Dumfries. Sir Thomas Charteris van Amisfield werd benoemd tot Lord Kanselier (Chancellor door David II, maar werd gedood in de Slag om Durham in 1346. In 1530 werd een duel uitgevochten tussen Sir Robert Charteris van Amisfield en Sir James Douglas van Drumlanrig in de vorm van een middeleeuws toernooi dat plaatsvond vóór James V. De wedstrijd werd met zo'n wreedheid uitgevoerd dat Charteris 'zwaard werd gebroken en de koning moest tussenbeide komen om het gevecht te beëindigen. In de 17de eeuw steunde Sir John Charteris van Amisfield het Nationaal Verbond, maar weigerde de wapens op te nemen tegen de Kroon. Hij en zijn broer vochten met de markies van Montrose samen en waren er ook bij in de Slag bij Philiphaugh in 1645. Charteris-landen gingen vervolgens over naar een erfgenaam van Thomas Hogg, die hierdoor de naam Charteris aannam. Kolonel Francis Charteris kocht land in Haddington, welke hij Amisfield noemde. Zijn dochter Janet trouwde met de 4de graaf van Wemyss,een commissaris voor de Act of Union in 1707. De broer van hun tweede zoon (Lord Elcho), die 5de graaf van Wemyss werd, verwierf voor zijn aandeel in de Jacobitische opstand in 1745 de landgoederen van zijn grootvader van moeders kant. Daarbij nam hij ook de naam en wapens van Charteris van Amisfield aan.

Ondertussen werden de Wemyss landgoederen en de wapens in het Koninkrijk van Fife overgedragen aan de 3de zoon van de 5de graaf van Wemyss als James Wemyss van Wemyss. Door huwelijk met de familie Douglas, verwierven de Charteris-graven van Wemyss daarna het graafschap van March en landen in Peeblesshire, met inbegrip van het kasteel van Neidpath, gelegen aan de oevers van de rivier de Tweed. Dit was een voormalig bolwerk van de Clan Hay. Archibald Hamilton Charteris (1835-1908) was hoogleraar bijbelkritiek in Edinburgh. Hij richtte de Church of Scotland Women's Guild op en publiceerde het tijdschrift Life and Work.
In Amisfield (Dumfriesshire), op een achttal kilometers ten noordoosten van Dumfries bevindt zich een toren, die dateert uit 1600. G
Gosford House (Aberlady, East Lothian werd gedeeltelijk ontworpen door de architect Robert Adam. Vandaag is dit de hoofdzetel van de graven van Wemyss & March. Amisfield House (Haddington), werd in 1928 gesloopt en het park veranderde in een golfbaan. Neidpath Castle (nabij Peebles, Peeblesshire) staat open voor het publiek van april tot oktober.
De achternaam Carnegie komt het meest voor in Renfrewshire en Argyll en Bute.

CHATTAN
(CHATTO, CHATTOO, CHATO, CHATOO, KATTO, CATO, SCHATTO, SHATTO, CHATTOW, CHATTONE)
Deze clan stamt af van Gilliechattan Mor, wat "Grote dienaar van St. Catan" betekent. Het was de eerste clanchief en hij maakte deel uit van de oude Culdee-kerk die op het eiland Bute leefde.
Het waren "immigranten", afkomstig van Chatou in Normandië, die zich steeds noordwaards verplaatsten op vraag van David, de Graaf van Huntingon (1150).
Tegen de 12de eeuw hadden afstammelingen en volgelingen van Sint Catan zich verspreid naar Glenloy en Loch Arkcaig in Lochaber. In 1291 trouwde Eva, de dochter van de clan Chattan chief met Angus, Chief van de clan Mackintosh.
De naam "Chattan" betekent "Clan van de katten".
Allereerst vestigden ze zich in Torcastle in Glenloy. Nadat ze de vijandschap van Angus Og (eigenaar van de MacDougall-landerijen in Islay), werden ze gedwongen om voor eigen veiligheid uit Lochaber weg te vluchten. Ze vestigden zich in Rothiemurchus, waarna de Camerons hun landen in beslag namen tijdens hun afwezigheid. Dit leidde tot een lange en bittere vete tussen de twee clans die bijna driehonderd jaar duurde. De Mackintoshes waren eerder in Rothiemurchus gevestigd en vormden na verloop van tijd defensieve allianties met andere clans in de regio "de Farquharsons van Invercauld, Shaws of Tordarroch en MacThomases van Finegand. Ze werden al snel vergezeld door de MacBains van Kinchyle, Cattanachs, MacPhails, Macleans van Dochgarroch, Gows, Clarks, MacQueens van Pollochaig, MacIntyres van Badenoch, MacAndrews en MacGillivrays van Dunmaglass. Bijna vijf eeuwen lang strekte het gebied onder bescherming van Clan Chattan zich uit van Laggan in Inverness-shire tot de Upper Spey Valley. Om de positie te consolideren, werd in 1608 een bijeenkomst gehouden waarop de leiders van de verschillende families hun trouw aan de 17de Chief van Mackintosh bevestigden. Clan Chattan steunde de Stuarts en de Jacobitische zaak tijdens de opstanden van 1715 en 1745. Toen Prins Charles Edward Stuart in 1745 in Schotland arriveerde om zijn vaders claim op de Britse troon te bewerkstelligen, was de Mackintosh-chef een officier in de Black Watch die de Regering vertegenwoordigde, maar in zijn afwezigheid riep zijn vrouw Anne, een dochter van Farquharson van Invercauld, de Clan Chattan ter hulp.
De nasleep van de nederlaag van het Jacobitische leger in Culloden liet zich voelen en veranderde de aard van de Schotse Hooglanden radicaal, waarbij de Clan Chattan zware verliezen leed.  Één van de belangrijkste gevolgen was dat clans die tot nu toe lid waren geweest van de Confederatie, zich hiervan hebben losgemaakt om hun eigen weg te kunnen volgen.
Één van de eerste opmerkelijke noteringen in de archieven was deze van Alexander Chatto, Constable van Roxburgh. Sir Adam Chatto bracht hulde aan koning Edward I van Engeland tijdens diens korte verovering van Schotland in 1296, net als William en Robert Chatto. Een latere Sir Adam Chatto van Kelso was Sub Prior in 1531 en Richard Chatto was Sub Prior van de abdij van Melrose in 1534. De familie Chattos trouwde met de twee voorname Northumbrische families van Percy en Potts en raakte fel betrokken bij de grensoorlogvoering.
Clans, septs en families geassocieerd met de clan Chattan: Cameron, Cattanach, Clark, Davidson, Farquharson, Gillespie, Gow, Keith, MacAndrews, MacBain, MacBean, MacGillivray, MacGlashan, MacHardie, MacIntosh, MacIntyre van Badenoch, MacIntyre van Badenoch, MacKean van Macchean van Macchean Doch , MacPherson, MacQueen, MacTavish, MacPhail, Noble, Shaw, Smith.


CHEYNE
(CHENE)

Geralateerd met de "Chattan"-clan.


CHISHOLM
John de Chesholm van Berwickshire en Richard de Cheshelme van Roxburghshire brachten hulde aan Edward I van Engeland in 1296. Er zijn echter aanwijzingen dat de Highland en Lowland Chisholms afstammen van een gemeenschappelijke voorouder. Robert de Chisholme werd gevangen genomen bij de Slag om Neville's Cross in 1346, maar werd later losgekocht en werd Constable van Urquhart Castle aan de oevers van Loch Ness. Hij werd ook benoemd tot Sheriff van Inverness en Justiciar van het Noorden. Zijn zoon Alexander trouwde met Margaret, Lady van Erchless in Kintail, dochter en erfgename van Wyland of the Aird.
Door deze unie werd het kasteel van Erchless de zetel van Clan Chisholm. Van Alexander's zoon Thomas, geboren in 1403, spruiten de Chisholms van Comar en Strathglass voort. De Chisholms van Kinneries en Lierty, van Knockfin en van Muckerach zijn ook takken van de Highland-clan Uit de Lowlandfamilie. Hieruit komen de Chisholms of Stirches en de Chisholms of Cromlix in Perthshire voort, van wie drie bisschoppen van Dunblane werden, de laatste was ook bisschop van Vaison in Frankrijk. In de opstand van 1715 vochten tweehonderd mannen van Clan Chisholm onder het bevel van de graaf van Mar in de Slag om Sheriffmuir. Hoewel twee van de zonen van de Chisholms samen met de regeringstroepen vochten in de Slag om Culloden, steunde de clan in het algemeen Prins Charles Edward Stuart tijdens de Jacobitische opstand in 1745. Toen de Prins ontsnapte en ondergedoken was in Strathglass, werd hij vergezeld door Alexander, Donald en Hugh Chisholm. De Highland Clearances uit de 18e en 19e eeuw brachten grote aantallen clans overzee, veel naar Nova Scotia, waar grote aantallen van de naam nog te vinden zijn in Pugwash. In 1887 ging het leiderschap via de vrouwelijke lijn over naar James Gooden-Chisholm van Surrey, wiens nakomelingen nu "Chisholm" in hun naam dragen als erkenning van de huidige chef.
Chisholm, in de buurt van Hawick, Roxburghshire, was de oorspronkelijk familiehoofdplaats van de laagland Chisholm-familie.
In de grot van Corriedoe (Glenmoriston, Inverness-shire) verborg Prins Charles Edward Stuart zich in 1746 saen met de "zeven mannen van Glenmoriston", van wie er drie Chisholms waren. Het kasteel van Erchless (Strathglass, Invernesshire) was de 15de eeuwse zetel van de Chisholms.
Robert de Chisholm, stamvader van de noordelijke lijn van de Chisholms, trouwde met de dochter van de Constable van Urquhart Castle (Loch Ness, Inverness-shire) en werd op zijn beurt zelf Constable tijdens de 14e eeuw.
De achternaam Chisholm komt het meest voor in de regio Highland (dit omvat de historische graafschappen Caithness, Inverness-shire, Nairnshire, Ross en Cromarty en Sutherland) en Lewis op de westelijke eilanden.


CHRISTIE 
(CHRISTO, CHRYSTAL, CHRISTISON, CHRYSTE, CHRISTE, CHRISTY, CHRYSTY, MacCHRISTIE, McCHRISTIE, McCHRISTY))
Christian (vertaald: christelijk) was een veel voorkomende voornaam in de Middeleeuwen.  De afgeleide vorm geeft de achternaam Christie, waarschijnlijk ontstaan in Fife, waar de naam nog veel in zwang is.  Christison vind men ook terug en de vorm MacChristie vind je terug in Galloway.
Vreemd genoeg is de naam Christopher (een christen baren) niet zo een hoogvlieger in Schotland, met uitzondering van de afgeleiden Christo en Chrystal.  Chrystal werd als voor- en achternaam gebruikt bij zowel jongens als meisjes.
De naam kwam het eerst voor in Edinburghshire, een voormalige provincie, nu deel van het Midlothian district. De hoofdzetel was gevestigd in Carvant. Tegen 1296 waren ze reeds meer noordwaarts getrokken richting Stirlingshire.

CLARK
(CLARKE, CLERK)
Gerelateerd met de "Chattan"-clan.
In de vroege Middeleeuwen noemde bijna iedereen die kon schrijven zich een 'clericus' (=degene die kan schrijven, administrator, secretaris, geletterde).  Dit woord vond men meestal terug onder de handtekening in een document (in de tijd dat er van een familienaam nog geen sprake was).  Toen het Latijn als voertaal in documenten ging gebruikt worden, verschijnt het woord als 'Le Clerc".  Het is niet steeds juist te bepalen of dit een achternaam of eenvoudigweg een beschrijving was.
Hoe het ook zij, het niveau van alfabetisme moet in Schotland redelijk hoog gelegen hebben ofwel moeten de klerken zeer bedrijvig geweest zijn, want in de vijftiende eeuw werd de naam verspreid over heel Schotland.  Nu nog is het de dertiende meest voorkomende achternaam.  Je vindt de naam ook wel terug in Engeland, maar dan meestal onder de vorm 'Clarke'.
De term 'clerk' wijzigde in het Keltisch in 'Mac a chleirich', nog terug te vinden in de Ierse vorm McCleary en zijn vertaalde vorm Clarkson.


CLEIND
Zie "MacLAINE".


CLELLAND
Zie "MacLELLAN"


COCHRANE
(COCHRAN, MacCEACHRAIN)
Deze achternaam is afgeleid van het land van Cochrane (Oude schrijfwijze: Coueran) in Paisley, Renfrewshire, hoewel er ook een legende vertelt dat het afkomstig is van twee Gaelische woorden die, vertaald naar het Engels, "het gebrul van de strijd" betekenen. Het is ook mogelijk dat de afkomstig is van het oude Welshe woord "cywrain", wat "geschoold" betekent. Walter de Coueran was getuige bij het opmaken van een oorkonde in 1262 door Dougal MacSwein aan Walter Stewart, 5de graaf van Menteith. William de Coughram bracht in 1296 hulde aan Edward I van Engeland. Robert Cochrane (geboren in 1482), een volgeling van James III, werd opgehangen aan Lauder Bridge door jaloerse edelen onder leiding van Archibald, degraaf van Angus, daarna bekend als "Bell-the-Kat". In de vroege 17e eeuw stierf William Cochran zonder een mannelijke erfgenaam en ging het Chiefship via de vrouwelijke lijn over naar zijn kleinzoon, die de naam en het wapenschild van Cochrane aannam. Deze kleinzoon, Alexander Cochrane, werd gesteund door Charles I en werd ambassadeur in Polen voor de verbannen Charles II. In 1647 werd de familie bekend als de Lords Cochrane van Dundonald, en William, Lord Cochrane verwierf de heerschappij en de baronie van Paisley van de graaf van Angus in 1653. Het landgoed en kasteel Dundonald in Ayrshire werd begin 17de eeuw overgenomen en in 1669 werd William, Lord Cochrane, aangesteld als 1ste graaf van Dundonald. Er volgde een opeenvolging van leiders die, vanwege hun militaire moed, bekend werden als de "Fighting Cochranes". In 1745 liet de 7de graaf van Dundonald, een aanhanger van het huis Hannover, zijn paard onder hem in Edinburgh afschieten door de bezettende Jacobitische troepen. Archibald, de 9de graaf van Dundonald, was een vooraanstaand wetenschapper en uitvinder, maar raakte in financiële moeilijkheden tijdens het experimenteren met gecoate boeien voor de Koninklijke Marine; Thomas, de 10de graaf (1775-1860) was één van de grootste marinecommandanten aller tijden en voerde tussen 1817 en 1828 het bevel over de Chileense, Peruviaanse, Braziliaanse en Griekse marine. Hij werd benoemd tot Markies van Maranham in Brazilië. Charles Cochrane (1749-81), de tweede zoon van de graaf van Dundonald, was kapitein in het 4de regiment dat in 1774 naar Boston werd gestuurd. Hij werd majoor in het Britse legioen van loyalisten, pleitte voor onafhankelijkheid van de noordelijke koloniën en werd gedood in Yorktown.
Douglas, de 12de Graaf (1852-1935) was een Britse leger-generaal en stond aan de leiding van de Militie van Canada van 1902 tot 1904.
Dundonald Castle (Kyle, Ayrshire) werd gebouwd op de plaats van een eerder Stewart-kasteel voor Robert II in de 14e eeuw. Het werd gekocht door de Cochranes in de 17de eeuw en is onder de hoede van Historisch Schotland (Historic Scotland). In Auchans (Kyle, Ayrshire) bevinden zich de ruïnes van een kasteel-herenhuis, gebouwd voor 1ste graaf van Dundonald. In Paisley (Renfrewshire) bevindt zich een oud herenhuis van de graven van Dundonald, dat gebouwd werd na 1653. Lochnell Castle, in de buurt van Oban (Argyll) is de familiezetel van de graven van Dundonald.
De achternaam Cochrane komt het meest voor in Angus (Forfarshire), Dundee City, Stirlingshire, Falkirk, Clackmannanshire, Ayrshire en Lanarkshire.


COCKBURN
(KOCBRUN, COKEBURNE, COKEBURN)
De achternaam is afgeleid van een plaatsnaam in de buurt van Duns, in Berwickshire. Er is echter ook enige discussie over dat het is ontstaan ​​uit het Schotse woord voor koekoek. Er is ooit een "Koekoeksverbranding" of Gowk's Burn" geweest, dicht bij de abdij van Melrose in Roxburghshire, waarmee de familie Cockburn een associatie had. In 1250 stond John Kocbrun,
een landbezitter uit Fife, het land af aan het klooster van Lindores. Een Peter of Peres de Cokeburne brachten hulde aan Edward I van Engeland in 1296, net als Thomas de Cokeburn uit Roxburgshire. Sir Alexander de Cockburn trouwde met de dochter van Sir William de Vipont die tijdens de Slag om Bannockburn in 1314 sneuvelde en van hem ging het land van Langton in Berwickshire over naar de familie Cockburn. De Baronie van Carriden werd door David II verleend aan Sir Alexander Cockburn de Langton, die in 1390 Keeper van het Great Seal of Scotland werd. Een afstammeling van John Cockburn, graaf van Wigtown, Sir William Cockburn van Langton, werd gedood in de Slag om Flodden in 1513. De Cockburns waren vurige aanhangers van Mary Queen of Scots en bijgevolg werd hun kasteel in Skirling, in Midlothian, in 1568 gesloopt. De baronie en het landgoed van Langton werden uiteindelijk verkocht aan een neef die in 1671 een Nova Scotia-baronetcy ontving. . Adam Cockburn van Ormiston in East Lothian (1656-1735), was Lord Justice Clerk en werd nadien Lord Ormiston.
Zijn zoon, John Cockburn van Ormiston (gestorven in 1758) was een verlichte landbouwverbeteraar. Lord Cockburn (1779-1854) was een Court of Session-rechter en een centrale figuur van de Schotse Verlichting. Zijn oom was de almachtige Lord Melville. Lord Cockburn wordt vandaag het best herinnerd voor zijn dagboek "Memorials of his Time" uit 1856 en "Journal" (1831-44). Alison Cockburn, geboortenaam Rutherford (1713-94) was een dichteres en domineerde de sociale scene van Edinburgh. Ze schreef de teksten voor The Flowers of the Forest. Admiraal Sir George Cockburn (1772-1853) bracht Napoleon Bonaparte naar zijn ballingschapsoord op het eiland Sint-Helena en werd First Sea Lord.
In Cockburnlaw (Duns, Berwickshire) bevindt zich een conische heuvel, dit ten noordwesten van de stad. Cockburnspath Tower (Cockburnspath, Berwickshire) was eens een sterk fort en verondersteld het "Ravenswood" te zijn dat voorkomt in Sir Walter Scott's "Bride of Lammermoor". Skirling, Peeblesshire.Gehouden door Cockburn-familie tot 1568.
De achternaam Cockburn wordt meestal gevonden in The Scottish Borders (Berwickshire, Peeblesshire, Roxburghshire, Selkirkshire en een deel van Midlothian), Edinburgh City and the Lothians (Linlithgowshire, Edinburghshire, Haddingtonshire).


COLQUHOUN
(spreek uit: "Ko-hoen")
(CALHOUN, COLHOUN, COLHOON, CAHOUN, COHOUN, CAHOUN, COHOON, CULQUHOUN, CAHUNE, COHUNE COWQUHONE, COLQUHONE, CULQUHOWN, CAHOONE, KALHOUN, KULHOUN, KOLHOUN, CALHOON, CALLOON, CULLOONE, COLLUNE)
Dit is een territoriale naam ontleend aan de baronie van Colquhoun aan de oevers van Loch Lomond in Dunbartonshire.
De naam is afgeleid van het Gaelic woord "còil" of "cùil", dat "hoek" betekent.
Tijdens het bewind van Alexander II verkreeg Humphrey de Kilpatrick of Kirkpatrick een subsidie ​​van het land van Auchentorily, Colquhoun en Dumbuck, dit van Malduin, graaf van Lennox. Hij  bouwde er het kasteel van Dunglas met uitzicht op de rivier de Clyde.
De landen van Luss kwamen in bezit van de familie in de 14de eeuw toen Sir Robert van Colquhoun trouwde met "The Fair Maid of Luss", afstammeling van Maldwin, Dean of the Lennox. Sir John Colquhoun van Luss werd benoemd tot gouverneur van Dumbarton Castle tijdens het bewind van James II, maar werd gedood tijdens een inval op het eiland Inchmurrin in 1439. Zijn zoon, ook een Sir John, werd controleur van het koninklijk huis en in 1457 ontving een oorkonde waarin alle Colquhoun-grondeigendommen in een vrije baronie werden opgenomen, waaronder later het bos van Rossdhu en de landen van Kilmardinny. Sir John werd gedood door een kanonskogel bij het beleg van Dunbar Castle. De clan Gregor viel Luss in 1603 met grote wreedheid aan. Alexander Colquhoun, de 17de van Luss, werd een Koninklijke Commissie ter hand gesteld om wraak te nemen en bij de Slag om Glenfruin, bekend als de "Glen of Sorrow'", werden meer dan 200 Colquhouns gedood. Als gevolg hiervan werd de clan Gregor verbannen en de MacGregor Chief werd uiteindelijk opgehangen met elf van zijn belangrijkste clansmen. De haat tussen de twee clans ging niettemin onverminderd door tot de 18de eeuw, toen de Chiefs van Colquhoun en MacGregor elkaar ontmoetten in Glenfruin om elkaar de hand te schudden en een wapenstilstand uit te roepen. Sir John Colquhoun, de 19e van Luss, was één van de eerste baronetten van Nova Scotia. Hij zou openlijk betrokken zijn geweest bij tovenarij. Hij trouwde met Lady Lilias Graham, een zus van de 1ste markies van Montrose en vervolgens ook nog een verhouding met haar zus, Lady Catherine Graham. Er werden beschuldigingen tegen hem ingesteld en zijn landgoederen in beslag genomen, hoewel ze later in 1646 aan zijn oudste zoon werden teruggegeven. Sir John, de 2de baronet van Luss, trouwde met Margaret, dochter en enige erfgename van Sir Gideon Baillie van Lochend, in het graafschap Haddington. Sir Humphrey, de 5de baronet, was lid van het laatste Schotse parlement en verzette zich krachtig tegen het Verdrag van de Unie in 1707. Hij stierf in 1718 en werd door speciale dispensatie opgevolgd door James Grant van Pluscardine, zijn schoonzoon, onder de naam en de benaming van Sir James Colquhoun van Luss. Sir Iain Colquhoun, de 31ste van Luss, was grootmeester
Mason (vrijmetselaar) van Schotland en verkozen tot Lord Rector van de universiteit van Glasgow. In 1964 trouwde Iona Colquhoun, dochter van Sir Ivar Colquhoun van Luss, tevens 32ste Chief van Colquhoun, met de markies van Lorne, later de 12de hertog van Argyll. James Caldwell Calhoun (1782-1850) was vice-president van de Verenigde Staten van Amerika. Een luitenant Jimmy Calhoun van de 7de Amerikaanse cavalerie nam deel aan Custer's Last Stand en stierf in de Slag om de Little Big Horn in 1876. Archibald Colquhoun (1848-1914) was de eerste beheerder van Mashonaland. Robert Colquhoun (1914-62), geboren in Kilmarnock, was een prominente Schotse kunstenaar.
Het kasteel van Dumbarton kan nog steeds bezocht worden. Sir John Colquhoun van Luss was gouverneur onder James II.
Glenfruin (Dunbartonshire) was de locatie waar het bloedbad van de Colquhouns door Clan Macgregor in 1603 plaatsvond. De ruïnes van het eilandkasteel van Inchmurrin (Loch Lomond) waar Sir John Colquhoun werd vermoord met zijn bedienden in 1439 zijn ook best een bezoek waard. Rossdhu House in Luss, aan de oostkust van Loch Lomond is momenteel het clubhuis van de exclusieve Loch Lomond Golf Club. De ruïnes van het middeleeuwse Rossdhu-kasteel staan ​​op een verhoging dicht bij het clubhuis. Septen van de Calhouns: Cowan, Cowen, Ingram, Kilpatrick, Kirkpatrick, Laing, MacAchounich, MacClintock, MacCowan, MacLinden, MacLintock, MacMains, MacManus, Macowan. Verdeling van de achternaam in Schotland: De achternaam Colquhoun komt het meest voor in Glasgow, Dunbartonshire, Renfrewshire en Argyll en Bute.

COMMON
(COMMONS)
Gerelateerd met de "CUMMING"-clan. 


CONATY
(CONNAGHTY, CONNOTY, O'CONNATY, MacCONAGHY, Mac CONACHIE, Mac CONKEY, MacCONACHIE)
Zie "Mac CONACHIE".


CONNCHAIDH

Zie "Duncan"


COOPER
(COUPAR, COUPER, COWPER)
Naar alle waarschijnlijkheid is deze familie afkomstig uit de stad Coupar in Fife, waar een Selomone de Coupir is geregistreerd omdat hij getuige was van een oorkonde in 1245. In andere gevallen kan het beroep van "cooper", een persoon die vaten en vaten bouwt, aan de oorsprong liggen.
Een John Cupar belandde in de late 13de eeuw in Aberdeen en een Symon Coupare van Berwickshire bracht hulde aan Edward I van Engeland in 1296. Thomas de Cupro was Canon van St. Andrews in 1406 en Finla Couper van Belnakeill (Atholl) kreeg een boete voor het schenken van heiligdommen aan uitgesloten leden van Clan Gregor in 1618.
In de 17de eeuw had een familie van Coupers het land van Gogar in eigendom, aan de rand van Edinburgh.  In 1638 werd John Couper als baronet van Nova Scotia aangesteld. Hij werd gedood in 1640 bij de explosie die Douglas Castle verwoestte tijdens de "Bishops' Wars ".
Eén van Sir John's zonen vestigde zich in Dumbartonshire en uit deze lijn komen de Coupers van Banheath in Dumbartonshire voort; van Failford en Smeithston in Ayrshire en van Ballindalloch in West Stirlingshire.
De Engelse dichter William Cowper (1731-1800) schreef aan een vriendin Fife dat zijn wortels in Fife lagen: "Ik ben oorspronkelijk van hetzelfde graafschap en een familie met mijn naam woont er nog steeds".
Coupar in Fife was de clanzetel van de Macduffs, de graven van Fife. Hun kasteel dateert uit de 12e eeuw.
In Coupar in Perthshire werd een cisterciënzerabdij gesticht door Malcolm IV (1153-65) in de jaren 1160.
Kasteel Gogar in Edinburgh is een Schots Baronial herenhuis met L-plan, gebouwd in 1625 door de architect William Ayton voor John Cowper, wiens vader het landgoed kocht in 1601.
De amilienaam Cooper komt het meest voor in Highlands (inclusief de historische graafschappen Caithness, Inverness-shire, Nairnshire, Ross en Cromarty, Sutherland en kleinere delen van Argyllshire en Morayshire), Orkney en Aberdeenshire (inclusief alle historische graafschappen van Aberdeenshire, Kincardineshire en delen van Banffshire).


COWAN
(COWEN, COWANS, COWENS, MacCOWDEN)
Gerelateerd met de "Calhoun"-clan.

Zie "MacCOWAN".

CRAIG
(CRAIGMYLE, CRAIGIE)
Het Welse woord voor rots is 'craig', het Keltische is 'creag', beide worden in het engels uitgesproken en geschreven als 'crag'.
De achternaam Craig werd toegewezen aan iemand die nabij een rots woonde.  Het is de Welse spelling die overleefde in de familienaam.
Er wordt evenwel verondersteld dat de Picten ook een soort Keltisch spraken dat verwant was aan het Wels want vele topografische benamingen in Schotland hebben Welse kenmerken in zich, zoals 'aber' (riviermonding), 'caer' (vesting) en 'tref' (boerderij, woonstede).
De naam Craig vindt zijn oorsprong vanuit verschillende locaties en er zijn een of twee samenstellingen als 'Craigmyle' en 'Craigie', welke plaatsnamen zijn die opgang gemaakt hebben als familienaam.
'Craik' is dan weer iets anders.  De naam Craig werd gegeven aan een families die afkomstig ware, uit het dorp Crayke in Yorkshire (vijftiende eeuw).

 

CRANSTOUN
(CRANSTON, CRAGESTONE)
Oorspronkelijk was de achternaam van Cranstoun of Cranston afgeleid van de oude Baronie en huidige parochie van Cranston in Midlothian, waarbij de "Cran" een locatie is waar kranen worden gevonden, en "Tun", een grote boerderij. Als zodanig is er een kraan op het familiewapen. De naam Elfrick de Cranstoun verschijnt in de 12de eeuw toen hij getuige was van een oorkonde van Willem de Leeuw in de Abdij van Holyrood. De Cranstouns bezaten grondeigendommen in Edinburgh en Roxburghshire. Familiegraven zijn te vinden in Melrose Abbey, hoewel recentere generaties begraven liggen in Corehouse, aan de watervallen van de rivier de Clyde.
Een van Elfric's afstammelingen, een zekereThomas de Cranstoun, was Provost (burgemeester) van Edinburgh in 1423 en hij is misschien dezelfde man die in 1499 werd benoemd tot ambassadeur bij James IV. Een Andrew de Cragestone uit Edinburghshire bracht in 1296 hulde aan Edward I van Engeland en William de Cranstoun werd in 1451 één van de conservatieven van de wapenstilstand tussen Engeland en Schotland.
In 1592 werden Thomas en John Cranston beschuldigd van verraad voor hun steun aan de 4de graaf van Bothwell. In 1600 raakte Sir John Cranston verwikkeld in de Gowrie Conspiracy om James VI te vermoorden. Hij kreeg gratie van de koning, maar zijn broer Thomas werd geëxecuteerd. In 1609 werd echter Sir John Cranstoun van Morristoun, kapitein van de wacht van James VI, waarbij hij de titel van Lord Cranston verkreeg.
Tijdens de burgeroorlog kozen de Cranstons de zijde van de koning en in 1561 werd de 3de Lord Cranstoun gevangen genomen in de Slag om Worcester en hierbij gevangengezet in de Tower of London. William, de 5de Lord Cranstoun was lid van het laatste Schotse parlement vóór de Unie van 1707.
James, 8ste Lord Cranstoun, voerde het bevel over HMS Bellerophon tijdens de Napoleontische oorlogen en werd later benoemd tot gouverneur van Grenada. Door het sterven van de 11de Lord in 1813, stierf de opvolging en ging Chiefship verder via de vrouwelijke lijn.
George Cranstoun, die afstamde van de 5de Lord Cranstoun, werd decaan van de Faculteit der Advocaten en werd in 1826 rechter met de titel Lord Corehouse. Dit was de naam van zijn huis bij de watervallen van de Clyde waar hij regelmatig met zijn vriend en romanschrijver Sir Walter Scott vertoefde. Na zijn dood in 1850 ging Corehouse eerst over op zijn nicht Maria, daarna op zijn zus Margaret, die beiden de samengestelde achternaam Edmonstoune-Cranstoun aannamen.
In 1950 stierf kolonel Charles Edmonstoune-Cranstoun, baas van het leger van Corehouse en het landgoed ging over naar zijn neef luitenant-kolonel Alastair Cranstoun. Één van zijn eerste daden was zijn claim te verwezenlijken op de naam en ook op de bewapening van Cranstoun. Hij stierf in 1990 en werd opgevolgd als Chief door zijn neef, David Cranstoun, die nog steeds in Corehouse woont.
De Cranston-tartan verscheen voor het eerst in 1842 in de Vestiarium Scoticum, samengesteld door de broers Sobieski-Stuart, die beweerden de natuurlijke kleinkinderen van Prins Charles Edward Stuart te zijn. Dit boek werd vervolgens in diskrediet gebracht, maar de meerderheid van de tartans die het illustreerde, blijven de oudste van degene die we kennen.
Catherine Cranston (1849-1934) was beschermheer van de architect/ontwerper Charles Rennie Mackintosh.
Cranston Parish Church werd gebouwd in 1824. Deze ligt in de buurt van Oxenfoord Castle, in de buurt van Dalkeith (Midlothian). Het Corehouse ligt dicht bij New Lanark op de watervallen van deClyde. Dit is de clanzetel van David Cranston.
De achternaam Cranstoun komt het meest voor in Dumfries en Galloway (Dumfriesshire, Kirkcudbrightshire en Wigtownshire), The Scottish Borders (Berwickshire, Peeblesshire, Roxburghshire, Selkirkshire en een deel van Midlothian) en Edinburgh en de Lothians.


CRAWFORD
(CRAWFURD, CRAUFURD, CRAWFERD, CRAWFFORD, CRAFFORD, CRAFORD, CRAFORT, CRAYFORD)
Er is een baronie van de Crawfords in het landelijke Lanarkshire (Gaelic: Siorrachd Lannraig), gelegen in Strathclyde, dat nu verdeeld is in North Lanarkshire, South Lanarkshire en The City of Glasgow.
De betekenis van het woord is 'waadplaats of nestplaats voor kraaien'.
Het Oud-Engelse woord "crawa" betekent "kraai" en "Ford" betekent"door een rivier waden".
Als familienaam verschijnt de naam in vele oorkondes vanaf de twaalfde eeuw.Een dochter van 'Sir John of Crawford' huwde met David Lindsay, stamvader van de graven van Crawford; haar zuste huwde met Sir Malcolm Wallace en werd in die hoedanigheid de moeder van de eerste grote Schotse patriot William Wallace.
De Crawfords hebben nooit als clan bestaan, maar het was wel een zeer gewaardeerde laaglandfamilie.  De takken Auchinames, Craufurdland en Kilbirnie zijn de meest voorname.


CROSBIE
(CROSBY)
Zie "Bruce"


CROSS
(CROSSE, CROCE, CROSCE, CROISE)
De achternaam Cross werd voor het eerst rond 1250 teruggevonden in de Engelse graafschappen van Lincolnshire, Buckingham en Oxfordshire. Tegen het jaar 1340 was de belangrijkste tak van de naam naar het noorden verhuisd naar Lancashire en had het landhuizen en landgoederen gevestigd in Cross Hall, net buiten Liverpool. Deze tak verhuisde ook naar het Kruis van Ledsham in het zuiden in het graafschap Cheshire.


CRUICKSHANK
(CRUIKSHANK, CROOKSHANK, CROOKSHANKS, CROKESHANKS)
De naam werd het eerst gebruikt door Picten in het oude Schotland door afstammelingen van een familie die vlakbij de Cruick rivier woonden in Kincardineshire (Gaelic: A' Mhaoirne) "Shank" betekent "heuveltop". Soms wordt wel eens beweerd de de naam een bijnaam is voor iemand die "crooked shanks" (met kromme benen) of "bowlegged" (met gebroken benen) rondliep, maar dit is zeker niet het geval.
De voormalige provincie Kincardineshire bevond zich aan de noordoostkust van de Grampian streek, momenteel deeluitmakend van de Aberdeenshire in de Grampians. Hier is sinds lange tijden ook de familiezetel gevestigd.
De naam werd allereerst geregistreerd in de archieven van John Crokeshanks, burger van Haddington, onder Koning Edward de eerste van Engeland in 1296. Later in 1334 kwam ook een genaamde Christin Crukschank voor in de stichtingsakte van de kapel van Urchany.
Een zekere Cristinus Cru Sank werd in 1408 aangesteld als burger van Aberdeen en in 1411 was John Cru Sank een van degenen die de Lord Provost van Aberdeen begeleidden naar de Slag (Battle) van Harlaw (Gaelic: Cath Gairbheach) in 1411.
Harlaw ligt ten noorden van Inverurie in Abderdeenshire. De slag was één van de reeks gevechten die tijdens de Middeleeuwen plaatsvonden tussen de baronnen van noordoost Schotland met deze van de westkust.

 

CUMMING
(COMYN, CUMIN, CUMMIN, CUMMINGS)
De eens zeer machtige familie was afkomstig uit de stad Comines, nabij Lille, in Frankrijk. In vroege archieven verschijnt de achternaam met het voorvoegsel 'de' en er is een twijfelachtig bewering dat het gezin afstamt van de Romeinse keizer Karel de Grote.
Robert de Comyn vergezelde Willem de Veroveraar in 1066 naar Engeland en werd benoemd tot graaf van Northumberland. Bij zijn terugkeer naar Schotland van het hof van zijn zwager in Engeland, nodigde David I de kleinzoon van Robert, William, uit om hem te vergezellen en verleende hij hem landerijen in Berwickshire. Robert werd uiteindelijk kanselier (chancellor) van Schotland en zijn neef Richard trouwde met Hextilda, kleindochter van Donald Bane, tweede zoon van Duncan I, die later kort Donald III werd. Onder het bewind van Alexander III hadden de de Comyns vier graafschappen: Angus, Atholl, Menteith en Buchan.
Door het huwelijk met de zus van John Balliol en door de fatsoenlijke afkomst van koning Duncan, had John de Comyn, heer van Badenoch, ook een sterke claim op de Schotse troon. Onder de Six Guardians of the Realm (benoemd toen Alexander III stierf in 1286) waren Alexander de Comyn, graaf van Buchan en "Black John" Comyn, heer van Badenoch. Zij nodigden samen met Robert Bruce, de grootvader van de toekomstige koning, Edward I van Engeland uit om te bemiddelen bij de keuze van de opvolger van Alexander.
De keuze van Edward I was John Balliol, met die voorwaarde dat hij zelf zou worden erkend als "Overlord van Schotland", een eis die de Guardians destijds niet konden weigeren. Met het falen van John Balliol om het land bij elkaar te houden, begon de strijd tussen de andere eisers en in 1306, op de hoogte van het verraad van zijn neef, regelde Robert Bruce een ontmoeting met John "The Red" Comyn in de Kerk van de Greyfriars in Dumfries. Er volgde een ruzie en Comyn werd doodgestoken, een daad waarvoor Bruce door de paus geëxcommuniceerd werd later.
In de laatste fasen van de campagne van Bruce, waarbij de zoon van de Rode Comyn werd gedood tijdens de Slag bij Bannockburn tegen de Engelsen, stuikte de macht van Comyn ineen. Er waren echter veel familietakken in Schotland en vanaf dit punt veranderde de spelling van de naam over het algemeen in Cumming, met de Cummings van Altyre, die afstammen van een broer van Donald Dubh, derde zoon van de Rode Comyn, die werd erkend als de hoofdlijn.
Sir Alexander Cumming van Altyre verkreeg in 1804 de titel van baron. Sir William Gordon Cumming, de 4de baronet, diende bij de Scots Guards, maar raakte betrokken bij een berucht gokschandaal waarbij de Prins van Wales betrokken was.
De ruïnes van de 14de eeuwse waterburcht van de Comyns, Balvenie Castle (Dufftown, Speyside) zijn gelegen vlakbij de rivier Fiddich.
Deer Abbey, in de buurt van Peterhead (Aberdeenshire) werd opgericht in 1219 door William Comyn, graaf van Buchan voor de Cisterciënzer monniken uit Kinloss.
Het kasteel van Inverlochy (Fraserburgh, Aberdeenshire) werd in de 13de eeuw gebouwd voor de Comyns.
In Lochindorb (Morayshire) bevindt zich een eilandfort berucht om zijn associatie in de vroege 14e eeuw met de Wolf van Badenoch, zoon van Robert II. Het werd echter oorspronkelijk gebouwd door de Comyns.
Het huis van Blair-Altyre (Morayshire) was de familiezetel van de Chief van de Cummingsclan.
Hety kasteel van Cruggleton (Garlieston, Galloway) was een enorme vestiging die gebouwd werd door de Comyns in de 13e eeuw, maar er blijft nu weinig van over.
De achternaam Cumming wordt meestal gevonden in de Highlands (inclusief de historische provincies Caithness, Inverness-shire, Nairnshire, Ross en Cromarty, Sutherland en kleine delen van Argyllshire en Morayshire), Moray (Elginshire), Aberdeenshire (inclusief deel van Banffshire en heel Kincardinshire), Angus (Forfarshire) en Dundee City.
Septen: Buchan, Cheyne, Chene, Common, Commons, Comyn, Cummin, Cummings, Cumyn, Farquharson, MacNiven, Niven, Russell.


CUNNINGHAM (CONIGANS)
Cunningham is de naam van een district in Ayrshire.  De uitgang 'ham' is het werk van een Engelsgezinde schrijver, want de originele vorm was Cunegan.  Over de betekenis van het woord zelf heeft men nog steeds geen bevredigende verklaring.
Het grondgebied van Cunningham in Ayrshire werd in de twaalfde eeuw ten geschenke gegeven aan een Normandisch avonturier.  Logisch dan ook dat hij de naam van het grondgebied aannam als familienaam.
Via diverse huwelijken werd de familie eigenaar van de Glencairn landerijen en in de vijftiende eeuw werden ze in de adelstand verheven.  De 14de graaf van Glencairn was bevriend met de dichter Robert Burns; deze laatste gaf zijn vierde (wettelijke) zoon als naam James Glencairn Burns.
De Cunninghams (ze zijn nooit een clan geweest) vind je terug in diverse streken van Schotland vanaf de vijftiende eeuw.
Een Cunninghamfamilie verhuisde in de zestiende eeuw van Ayrshire naar Strathblane, waarna de naam weldra op zal duiken in Fife en Edinburgh.  Emigratie naar Frankrijk veranderde aldaar de naam in "Conigans".