Deze webpagina bevat een aantal subpagina's, omdat er zoveel Schotse familienamen bestaan, dat het op één pagina onoverzichtelijk zou kunnen worden.
De familienamen zijn alfabetisch gerangschikt om het opzoeken te vergemakkelijken.
De vrij vertaalde informatie is afkomstig uit Engelstalige literatuur en websites, aangevuld met persoonlijke info en commentaar.
Men kan zeggen dat er twee klassen zijn in de Schotse familienamen, de Hoogland- en Laaglandklasse.
In zeer weinig gevallen hadden de bewoners al een familienaam vóór de elfde eeuw. Verreweg het grootste deel verkreeg pas een naam sinds de dertiende eeuw. Ze zijn op verschillende manieren ontstaan; sommige zijn afgeleid van plaatsen, zoals Maxwell, Nisbet, Ralston; er zijn doopnamen zoals Anderson, Bennett, Lawrence; namen met betrekking tot handeldrijven, zoals Baxter, Fletcher, Nasmyth; administratieve namen, zoals Bannerman, Grieve, Walker; beroepsnamen, zoals Clerk, Freer, Kemp; eigenaardigheden van lichaam en geest, zoals Fairfax, Laing, May; namen in verband met bewapening, zoals Cross, Heart, Horn; namen met betrekking tot de geboorteplaats, zoals Fleming, Inglis, Scott en vele andere bronnen.
De achternamen van het Hoogland zijn hoofdzakelijk patroniemen (vadersnamen, met verschillende voorvoegsels en toevoegingen, zoals Farquhar, Mackenzie, Robertson; maar er zijn enkele uitzonderingen, enkele zijn afgeleid van plaatsen, zoals Lennox, Murray, Ross; een groot aantal in verband met eigenaardigheden, zoals Cameron, Campbell, Grant en sommige in verband met bewapening en administratie, zoals Fraser, Skene, Stewart. De familienamen van het Laagland die hoofdzakelijk van Normandische origine zijn, zijn meestal verbonden met een plaats, zoals Carmichael, Ridell, Rutherford; maar velen zijn afgeleid van doopnamen, zoals Dickson, Henderson, Syme; van eigenaardigheden, zoals Armstrong, Brown, Douglas; van bewapening, zoals Foulis, Heron, Lillie; van administratie, beroep en handel, zoals Baillie, Hunter en Lorimer.

Het is misschien interessant om een aantal woorden en begrippen te verduidelijken.
Een klik op het woord in de tekst leidt je meteen terug naar deze verklarende pagina.

  • Abbott:
    Abt of Abdis die als leider aan het hoofd staat van een abdij. Net onder de abt staat de prior op de hiërarchische lijst en vervolgens de monnik.
    Een gemijterde abt staat op het zelfde niveau als een bisschop, dit in tegenstelling met een niet-gemijterde abt.
  • Aberdeen Brevier (Brevarium Aberdonense):
    Dit is een 16de eeuwse Schotse katholieke brevier, het eerste gedrukte boek in Schotland, nadat er uit Engeland een boekpers kon ingevoerd worden.
    De brevier kon gezien worden als één van de kenmerken van het groeiende Schotse nationalisme. De bisschop van Aberdeen, William Elphinstone, die ook de universiteit van Aberdeen opgericht had, werkte samen met de Schotse filosoof en historicus Hector Boece om dit boekwerk (volledig in het Latijn) samen te stellen. Enkel vier copijen van dit boekwerk bestaan er: één bevindt zich in de universiteit van Edinburgh, één in de bibliotheek van de Faculteit van Advokaten in Edinburgh, één in de bibliotheek van King's College in Aberdeen en één in de Nationale Bibliotheek van Schotland.
  • Angelsaksisch:
    Periode en stijl die samengaat met de verovering van het grootste deel van de Britse eilanden door Germaanse Saksen en Angelen uit Sleeswijk en het Oostzeegebied, van de 5/6de eeuw tot na hun bekering tot het christendom.
  • Assize Rolls van Hampshire: verslagen van de middeleeuwse hoven van assisen, die zware criminele feiten behandelden. Van 1293 tot 1328 waren vier ambtsgebieden, vanaf 1328 werden dit er zes: the Home circuit, the Midland circuit, the Norfolk circuit, the Northern circuit, the Oxford circuit en the Western circuit. Hampshire behoorde samen met Wiltshire, Dorset, Devon, Cornwall en Somerset tot the Western Circuit.
  • Baillie:
    Hoge ambtenaar in het lokaal bestuur van Schotland - sheriff, landrechter, baljuw (een soort vrederechter)
  • Baron (barones): 
    Deze adellijk titels is n het Engels "Baron" en "Baroness".
  • Baronie:
    Bestuursstructuur waarbij de macht bij één persoon berust.
  • Baronet:
    Een baronet is de drager van een Britse eretitel, die is ingevoerd door koning Jacobus I van Engeland in 1611 ter versterking van zijn schatkist. De Engelse baronets zijn in feodale zin verbonden met Noord-Ierland en hun wapen is herkenbaar door een schild met daarop een rode hand, voor Ulster.
  • Baronetcy:
    Dit is de rang van waardigheid van een baronet, het zogenaamde 'baronetschap'.
  • Bartholl Chapell (Bartol Chapel):
    Barthol Chapel is een klein dorp in het Formartine-gebied van Aberdeenshire, Schotland, genoemd naar de katholieke heilige, St Bartholomew. Barthol Chapel heeft een school met een heel klein voetbalveld en een kerk. De lokale taal is de Dorische taal (het 'Doric') van Noordoost-Schotland.
  • Bisschops' Wars (bisschoppenoorlogen): 
    dit waren twee politiek-militaire conflicten in 1639 en 1640 over de aard van het bestuur van de Kerk van Schotland en de rechten enmacht van de Kroon. Ze zijn onderdeel van Oorlogen van de Drie Koninkrijken en worden vaak gezien als het voorspel op de Engelse Burgeroorlog. De naam komt vanwege het centrale conflict tussen koning Karel(Charles) I
    van Engeland , die voorstander was van een bisschoppelijke hiërarchie in Schotland, tegenover de wens van de meeste Schotten om een presbyteriaans bestuursstelsel zonder bisschoppen in te voeren.
  • Boernicisch:
    De Boerniciërs, die een mengeling waren van Schotse picts, Angles en Vikings, waren één van de oude clans in de Schots-Engelse grensgebieden. Beschouwd als de oude grondleggers van het noorden, bewoonden de Boerniciërs het stuk ruig gebied dat zich uitstrekt van Carlisle in het westen tot Berwick in het oosten. In de 4de eeuw bestond Schotland uit vijf verschillende koninkrijken, met elk een eigen ras: de Gaels, Vikings, Picts, Britten en Angles hadden er allemaal landeigendommen.
  • Bruce (The Bruce - de Bruce):
    Robert I "The Bruce" (De Brus) was koning van Schotland van 1306 tot zijn dood in 1329.
    Via zijn vader had hij familiebanden met het vorig Schots vorstenhuis (John Balliol).
    Hij steunde ook de rebellie van William Wallace en in zijn strijd om de Schotse troon vermoordde zijn rivaal John III Comyn, waarna hij zichzelf tot koning kroonde.
    Als aanvoerder van zijn leger overwon hij de Engelsen in 1314 bij de Slag van Bannockburn. Na zijn invallen in Engeland en Ierland, kroonde hij zijn broer Edward Bruce tot koning van Ierland in 1316. Hierna werd de Schotse onafhankelijk officiëel door de Engelse koning Edward III bevestigd in het "Verdrag van Edinburgh-Northampton" in 1328. In 1603 werd het koninkrijk Schotland verenigd met zijn zuidelijke buurman Engeland (Engeland had al sinds de middeleeuwen een eenheid met Wales), maar nog niet volledig geïntegreerd. 
    Aan deze 479 jaar durende onafhankelijkheid kwam een definitief einde door de ondertekening van de "Akte van Eenheid" (Act of Union) op 24 maart 1707, waarbij beide landen samengevoegd werden en Groot-Brittannië ontstond. 
  • Burgess:
    Burgerlijk bestuur, zoals nu burgemeester en schepenen.
  • Burgh:
    Een burgh is een aanduiding voor een type plaats in Schotland. De term is al in gebruik sinds de 12de eeuw. Oorspronkelijk had de verlening van de status burgh politieke consequenties, enigermate vergelijkbaar, maar zeker niet identiek, met het verlenen van stadsrechten in andere landen. De burghs hadden bijvoorbeeld het recht op vertegenwoordiging in het parlement van Schotland. Tegenwoordig heeft de aanduiding alleen nog een ceremoniële waarde.
    Het Engelse equivalent van de burgh is de borough.
  • Cadetclan (cadet branch):
    In de geschiedenis en de heraldiek bestaat een kadettak uit de mannelijke afstammelingen van de jongere zonen (cadetten) van een vorst of een patriarch.
  • Carucate:
    Een middeleeuwse landeenheid voor een opppervlakte land dat een ploeg van acht ossen in één jaarseizoen kon beploegen. Meestal was dat rond de 120 hectares (100 Schotse aren), maar door de variabele landkwaliteit leidde het in Schotland tot verschillende grotes, die nogal afweken van elkaar.
  • ChiefJusticiar:
    Titel vergelijkbaar met deze van Eerste Minister.
  • Chieftain:
    Een chieftain staat lager op de hiërarchische ladder dan een clanchief. Hij staat aan het hoofd van een clanafdeling.
  • Clan:
    Het Schotse Gaelic woord "clann" betekent "kinderen". In vroegere tijden en misschien ook vandaag nog, waren de clanleden ervan overtuigd dat ze allemaal afstamden van éénzelfde voorvader, die ook de naamgever was van de clan.
  • Clanchief:
    Een clanchief is representatief voor de voorvader van de clan.
    Een clanchief staat hoger op de hiërarchische ladder dan de chieftain.
    In Ierland gebruiken ze het woord "Taoiseach" voor clanchief, ook tegenwoordig de naam voor de eerste minister.
  • Conferentie van Norham (Conference at Norham 1291):
    Edward I achtte het noodzakelijk om zijn leger en allen die koningsdienst verschuldigd waren (baronnen, militaire bevelhebbers, sheriffs, geestelijkehid, adel) te verzamelen en hield daarom een conferentie in Norham.
  • Constable:
    Momenteel duidt deze titel op een politiefunctionaris of een ceremoniële functie, vroeger op een militair.
    De titel van "Lord High Constable" overstijgt alle andere titels, behalve die van de koninklijke familie.
    De drager was na de koning de hoogste bevelhebber van het Schotse leger en de voornaamste rechter aan het gerechtshof.
    Hij is erfelijk in de familie van de "Earl of Erroll".
    De naam is ontleend aan het Latijn, van "comes stabuli", wat "stalmeester" betekent. De constable was dus verantwoordelijk voor de paarden van zijn meester.
  • Council:
    Gemeenteraad, adviesraad
  • County:
    Provincie of graafschap
  • Covenanter:
    Een covenanter maakte deel uit van een Schotse presbyteriaanse religieuze beweging, die in de 17de eeuw een belangrijk rol speelde in de geschiedenis van Schotland.
    Het woord zelf verwijst naar het verbond dat de de Israëlieten in het Oude Testament wordt gezworen. Er waren twee belangrijke covenanten in de Schotse geschiedenis: de National Covenant (1638) en de Solemn League and Covenant (1643). Het laatste was een verdrag tussen de Kerk van Schotland en het Lange Parlement (Long Parliament) van Engeland (1640-1660).
  • Crowner (in het Engels "Coroner"):
    Een gemeentelijke of provinciale ambtenaar, wiens voornaamste functie is om door onderzoek, net als ij een jury, elke dood te onderzoeken die niet duidelijk het gevolg is van natuurlijke oorzaken.
  • Curia Regis Rolls:
    De dertiende-eeuwse pleidooien van de rechtbanken van de koning zijn een historische bron van groot belang voor juridische historici en alle onderzoekers naar de sociale, economische en politieke geschiedenis van Engeland.
  • Dalriada:
    "Dál Riata of Dalriata" was de naam van het Gaelic koninkrijk dat volgens de overlevering in 498 werd gesticht onder de leiding van Mór mac Eirc. Het lag in het gebied dat nu bekendstaat als Argyll and Bute en Lochaber in Schotland en strekte zich uit naar County Antrim in Ierland. Het gebied werd bewoond door Schotten ofwel Scotti (de benaming van Latijnse schrijvers). Het koninkrijk werd getolereerd door de toen dominante Picten (Picti), die waarschijnlijk een andere taal, verwant aan het Wesh, spraken. De Picten woonden in Caledonia, dat het grootste deel inpalmde boven de Muur van Hadrianus. Toch ontstond er in 728 een burgeroorlog waarbij in 731 Dalridada vernietigd werd.
  • De wet van Adomnán (Adamnan, Eunan):
    Adomnàn was abt van de abdij op hjet eiland Iona van 679 tot 704. Hij was degene die het boek "Het leven van Sint-Columba" schreef. Hij was verwant aan Columba en was verantwoordelijk voor de Cáin Adomnáin, de Wet van Adomnán. In het jaar 700 wist hij 51 koningen en 40 geestelijke leiders ertoe te bewegen deze wet aan te nemen die de positie van vrouwen en geestelijken regelde in het door stammentwisten geteisterde Ierland. Ook schreef hij een boekje over de heilige plaatsen waarin hij de gegevens verwerkte van een Frankische geestelijke die een bezoek gebracht had aan het door moslims bezette gebied van Syrië en Palestina. Zijn feestdag als heilige wordt gevierd op 23 september. Hij is de patroonheilige van het bisdom Derry en Raphoe van de Kerk van Ierland (in het Iers graafschap Donegal). Adomnán zou in het dorp Raphoe geboren zijn.
  • Domesday Book:
    Dit "Liber de Wintonia" uit 1086 is een uitgebreid overzicht in het Latijn van alle bezittingen en eigenaren in Engeland vóór en na 1066. Het werd samengesteld in opdracht van Willem de Veroveraar om belastingen te kunnen heffen.
  • Episcopaal:
    Een kerkorde met een sterk hiërarchische gezagsstructuur, zoals in de Rooms-Katholieke Kerk (aartsbisschop, bisschop, priester (pastoor, kapelaan), diaken, lekehelpers...)
    De term wordt vooral gebruikt voor Angelsaksische kerkgenootschappen.
  • Feodaal:
    Leenstelsel, waarbij een leenman een gebied in leen kreeg met de verbintenis dat een deel van de opbrengsten (oogst)de leenheer toekwamen.
    Ook konden hoeves (saalgoederen) te leen worden gegeven.
  • Fief:
    Leengoed, landgoed of eigendom.
  • Feet (foot) of fines:
    Een voet of voeten van boete (Latijn: pes finis/pedes finium) is de archiefkopij van de overeenkomst tussen twee partijen in een Engelse rechtszaak over land, meestal de fictieve rechtszaak (in werkelijkheid een overdracht). Het staat bekend als een boete van landen of definitieve overeenstemming. De procedure werd gevolgd van circa 1195 tot circa 1833. Het aanzienlijk archief hiervan wordt bewaard in het Nationaal Archief van Kew (Londen). De archiefcopijen werden bijgehouden per graafschap.
  • Flowers of the Forest (The Flooers o' the Forest):
    Dit is een oud Schots volksliedje ter herdenking van de nederlaag van het Schotse leger van James IV tijdens de Slag om Flodden in september 1513. Hoewel de originele woorden onbekend zijn, werd de melodie opgenomen in circa 1615–1625 in het John Skene of Halyards Manuscript als "Flowres of the Forrest", hoewel het misschien eerder is gecomponeerd.
    Verschillende versies van woorden zijn aan de melodie toegevoegd, met name de teksten van Jean Elliot in 1756 of 1758. Andere omvatten die van Alison Cockburn. Veel uitvoeringen worden echter gespeeld op de Great Highland doedelzak. Vanwege de inhoud van de teksten en de eerbied voor de melodie, is het een van de weinige melodieën die veel pipers alleen in het openbaar zullen uitvoeren bij begrafenissen of herdenkingsdiensten, met spel dat anders beperkt is tot privépraktijken of om andere pipers te instrueren.
  • Gaelic:
    Gàidhlig, Schots-Gaelisch is een Goidelische taal die wordt gesproken door de Gaels, een Keltische stam in de Schotse Hooglanden. De taal was eerder in de 3de eeuw vanuit Ierland naar Schotland gebracht en werd ook Hoogland-Gaelic genoemd omdat het oosten en zuiden van Schotland door de Angelsaksische invasies in de vroege Middeleeuwen gekoloniseerd werd door de Angelen en ook de Schotten daar sindsdien hun taal, later het Engels gingen spreken.
    In de taal ontbreekt het werkwoord "hebben", er is geen onbepaald lidwoord, er zijn slechts twee geslachten, vier naamvallen (nominatief, genitief, datief en vocatief) en "ja" of "neen".
    In Ierland werd de taal grotendeels in stand gehouden en ook aan de Westkust van Schotland en op de Hebrideneilanden. Maar ook in Schotland kent de taal sinds 2006 een "revival". Er bestaat momenteel een Schots televisiestation (BBC Alba) en er zijn Gaelische scholen opgericht en méér en méér borden langs de weg worden "tweetalig".
    In 2009 erkende de Europese Unie het Schots-Gaelisch (dat licht verschilt van het Iers-Gaelisch), samen met het Welsh als een officiële correspondentietaal.
    De taal kent enorm veel liederen, waarvan ook vele met een religieuze inslag.
  • Germanen:
    Een verzameling volkeren en stammen, die rond het begin van de jaartelling de Germaanse taal spraken. Een Germaan is dus een spreker van de Germaanse taal. Ver terug in de geschiedenis woonden Germanen in Scandinavië en op de Noord-Europese Laagvlakte.
  • Glorious Revolution (Roemrijke omwenteling/Glorieuze overtocht):
    Dit is de benaming van de machtsovername door de Nederlandse stadhouder Willem III van Oranje-Nassau en zijn echtgenote Maria Stuart als koning en koningin van Engeland, Schotland en Ierland in 1688-1689, op uitnodiging van een aantal protestantse leiders in Londen. Het luidde een nieuwe fase in voor de parlementaire democratie in Engeland; de rechten van de koning werden wat beperkt (Bill of Right van 1689) en doordat Willems band met het land vrij zwak was, wist het parlement een machtspositie te verwerven die het nooit meer zou afstaan. 
    King Billy is nog altijd de held van de protestantse Unionisten. In de 'troebelen' die Noord-Ierland sinds 1969 geplaagd hebben, speelt de herinnering aan de Glorious Revolution een grote rol. De Slag aan de Boyne wordt nog elk jaar in juli herdacht met orangistische marsen, die door de katholieken als provocerend worden ervaren.
    Voor de Republiek had de nieuwe dubbelmonarchie in eerste instantie het gewenste resultaat. Tijdens twee oorlogen tegen Frankrijk, de Negenjarige Oorlog (1688-1697) en de Spaanse Successieoorlog (1701-1713), waren de Republiek en Engeland en vanaf 1707 het Verenigd Koninkrijk elkaars onmisbare bondgenoten. Aan het eind van die laatste oorlog was de Republiek echter wel uitgeput en verloor zij haar positie als grote mogendheid voorgoed. Bovendien verplaatsten na 1688 de grote handels- en bankiershuizen hun activiteiten ook steeds meer van Amsterdam naar Londen. Aan de economische rivaliteit tussen de Nederlanders en de Britten veranderde echter niets; in deze periode zou de Republiek haar voorsprong op Engeland geleidelijk kwijtraken. Na 1713 werd het Verenigd Koninkrijk, waarin ook Schotland was opgenomen, de voornaamste rivaal van Frankrijk.
  • Gospatrick:
    Gospatric of Cospatric (in de Cumbrische taal "Dienaar van Saint Patrick"), stierf na 1073. Hij was graaf van Northumbria, of van Bernicia, en later heer van veel landeigendommen rond Dunbar. Hoewel zijn vaderlijke afkomst onzeker is, bleven zijn nakomelingen tot 1435 eigenaar van het graafschap van Dunbar, later bekend als het graafschap van Mars.
    Van hem wordt vaak gezegd dat hij een zoon was van Maldred, de zoon van Crínán van Dunkeld. 
  • Graaf (Earl):
    Afgeleid van de Angelsakssiche en Scandinavische titel "jarl", dat "gekozen hoofdman" betekent. Oorspronkelijk stond een "earl" of hetzelfde niveau als een hertog, maar toen dit niet meer door de Franse adel werd erkend (omdat er gewoon teveel waren met deze titel) heeft Edward III van Engeland in 1355 de belangrijkste "earls" de titel "duke" gegeven. Een "earl" spreekt men aan als "right honourable". Als een "earl" ook nog een "earldom" heeft, dan krijgt zijn oudste zoon de hoffelijkheidstitel "earl".
  • Guide (Gude) and Godlie Ballads (Wedderburn of Dundee Psalms):
    'The Gu(i)de en Godlie Ballatis' (ca. 1540) is de titel die meestal wordt gegeven aan een verzameling ballades en andere liedjes, afkomstig uit Schotland in de jaren 1540. Als deze datum correct is, dateert die van vóór het Schotse Psalter van 1564. De eerste bestaande editie, die zijn titelpagina mist, is echter normaal daterend uit 1567. Er waren verdere edities in 1578, 1600 en 1621, met een titelpagina die beschrijft het als 'Een verzameling van goddelijke, profane en spirituele gezangen, verzameld uit verschillende delen van de Bijbel'. Het boek werd geschreven door John, James en Robert Wedderburn tussen ca 1510 en 1557.
  • Hebriden:
    Een uitgestrekte groep van ongeveer 500 eilanden vóór de westkust van Schotland, waarvan er zo'n 100 bewoond zijn. De grootste eilanden zijn Lewis (Leòdhas) en Skye (Sgitheanach). Tot 1266 maakte deze eilandengroep deel uit van het Noorse koninkrijk, maar bij het "Verdrag van Perth", waarin de conclusies van de Schots-Noorse oorlog werden bekrachtigd, werden ze aan Schotland overgedragen. De Hebriden worden verdeeld in de ...
    Binnen-Hebriden met de volgende voorname eilanden...Skye, Raasay, Scalpay, Rona, Canna, Eigg, Fladda-Chùain, Muck, Rum, Soay, Stac a' Mheadais, Trodday, Coll, Colonsay, Iona, Islay, Jura, Mull, Oronsay, Staffa, Tiree en Ulva.
    Buiten Hebriden met de volgende voorname eilanden... Lewis, Taransay, North Uist, Benbecula, South Uist, Barra, Saint Kilda, Berneray, Vallay, Vatersay, Boreray, Campay, Coppay, Flodday, Floday, Great Bernera, Gilsay, Heisgeir, Hermetray, Kirkibost, Lingay, Little Bernera, Little Shillay, Mealasta, Mingulay, Opsay, Orosay, Pabay, Sandray, Scaraway, Scarp, Shiant Isles, Shillay, Soay Beag, Soay Mòr, Stockay, Sursay, Tahay, Vacsay, Wiay en nog vele meer.
    Soms spreekt men ook van de Zuidelijke Hebriden. Men bedoelt dan het schiereiland Kintyre en de eilanden Arran en Bute. Vanaf de Mull of Kintyre kan je de Noordierse kust zien en Rathlin Island.
  • Heilige Bede:
    Beda of Baeda, bijgenaamd Venerabilis (de eerbiedwaardige; Engels: Saint Bede of the Venerable Bede) (Northumbrië 672/673-Jarrow 25 mei 735) was een Angelsaksische monnik, die in de zusterabdijen van St. Peter en St. Pauls in respectievelijk Monkwearmouth (een deel van het huidige Sunderland) en Jarrow leef Beide plaatsen lagen toen in het koninkrijk Northumbrië en liggen nu in het noordoosten van Engeland. Behalve als monnik is hij vooral bekend als Bijbelgeleerde, geschiedschrijver en heilige. Zijn beroemdste werk, Historia ecclesiastica gentis Anglorum (The Ecclesiastical History of the English People) leverde hem de titel op van "vader van de Engelse geschiedschrijving)". Beda was een bekwaam taalkundige en vertaler. Zijn werk maakte de in het Latijn en Grieks geschreven boeken van de vroege kerkvaders toegankelijker voor zijn landgenoten. Zo heeft hij in aanzienlijke mate bijgedragen aan het Engelse christendom. Beda's klooster had de beschikking over een prachtige, door Benedict Biscop uit Rome geïmporteerde bibliotheek, met daarin onder meer werken van Eusebius en Orosius.
    In 1899 werd Beda door paus Leo XIII tot kerkleraar verheven. 
    De viering van zijn feest valt in de Rooms-Katholieke Kerk op 25 mei.
  • Historisch Schotland (Historic Scotland):
    Historisch Schotland was van 1991 tot 2015 een onderdeel van het Schotse bestuur, verantwoordelijk voor de instandhouding van de historische omgeving van de natie Schotland en had tot taak het begrip voor en plezier in de Schotse geschiedenis te hebben. De organisatie legde direct verantwoording aan de Schotse ministers. In 2015 werd Historisch Schotland samengevoegd met de Royal Commission on the Ancient and Historical Monuments of Scotland (1908-2015) tot Historic Environment Scotland, dat de take van beide instanties overnam.
    In het kader van monumentenzorg beheerde Historisch Schotland al meer dan 300 gebouwen en constructies, waaronder Cairn O'Get en Crossraguel Abbey. Om kennis over deze monumenten te geven gaf de organisatie gidsen uit en ander educatief materiaal.
  • Honderdjarige oorlog:
    Deze reeks oorlogen, gevoerd van 1337 tot 1453, door het Huis Valois en het Huis Plantagenet, ook bekend als het uis Anjou, om de Franse Troon, die vacant was door het uitsterven van het Huis Capet, de eerste lijn van Franse koningen. Het Huis Valois maakte aanspraak op de titel van koning van Frankrijk terwijl de Plantagenets aanspraak maakten op zowel de troon van Frankrijk als van Engeland. De Plantagenets waren de heersers van het koninkrijk Engeland tijdens de 12e eeuw en hadden hun wortels in de Franse gebieden van Anjou en Normandië (het Angevijnse Rijk van Hendrik II van Engeland). Het conflict duurde 116 jaar, onderbroken door verscheidene periodes van vrede, voordat het uiteindelijk eindigde door het verdrijven van de Plantagenets uit Frankrijk (behalve uit Calais). Het resultaat was een overwinning voor het Huis Valois. De oorlog had de Valois wel bijna geruïneerd, terwijl de Plantagenets zichzelf hadden verrijkt door plundering. Frankrijk leed sterk onder de oorlog omdat het grootste gedeelte van het conflict plaatsvond op Frans grondgebied
    Men kan deze reeks oorlogen opdelen in vier fasen:
    1. De oorlog van Eduard (Edward) van 1337 tot 1360
    2. De oorlog van Karel (Charles) van 1369 tot 1389
    3. De oorlog van Lancaster van 1415 tot 1429
    4. Het trage verval van de Plantagenets (1429-1453) na Jeanne d'Arc (1412-1431)
  • Huis Hannover:
    Het huis Hannover was het koninklijk huis van Groot-Brittannië en Ierland van 1714 tot 1801 en het koningshuis van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Ierland van 1801 tot 1901. Daarnaast regeerde de dynastie ook tot 1866 over het keurvorstendom en (vanaf 1815) koninkrijk Hannover en het vorstendom Brunswijk-Wolffenbüttel, later het hertogdom Brunswijk in Noordwest-Duitsland.
    Het huidige hoofd van het geslacht Hannover is Ernst August V van Hannover (geboren in 1954). Hij is getrouwd met prinses Caroline van Monaco.
  • Iona:
    Dit eiland aan de Schotse westkust, behorende tot de Binnen-Hebriden, was vroeger bekend als "Hy". In 565 stichtte St. Columba er een klooster (Iona Abbey), van waaruit zich een netwerk van kloosters en bisdommen ontspon om het kristendom te verspreiden. Het strekte zich uit over heel Schotland en Ierland en zelfs tot in het Saksische gebied van Northumbria (Lindisfarne Priory). In 806 werd de gehele populatie van het eiland uitgemoord door de vikingen.
  • Jacobieten:
    Het Jacobitisme was een politieke beweging (einde 17de eeuw-begin 18de eeuw) die het rooms-katholieke koningshuis Stuart op de Britse troon wilde herstellen. De beweging ontstond toen de rooms-katholieke koning Jacobus II van de Engelse troon werd gestoten door de protestantse Nederlandse stadhouder Willem III van Oranje, die getrouwd was met een dochter van Jacobus, Mary Stuart.
    In de laatste opstand van 1745 landde Bonnie Prince Charlie, die de zoon was van Jacobus Stuart en eigenlijk Karel Eduard (Charles Edward) Stuart heette, met slechts 7 kompanen in Schotland op het eiland Eriskay (Buiten-Hebriden). Nadien verzamelden zijn medestanders zich bij Glenfinnan. Als legerleider bleek hij onbekwaam. Door het drassige slagveld en zijn onkunde verloor zijn leger in 1746 de "Slag bij Culloden" (bij Inverness) tegen de legers van de Engelse hertog van Cumberland (Willem Augustus van Groot-Brittannië of "Prince William"). Zijn leger bestond voornamelijk uit leden van de clans Cameron en MacDonald.
    Door zijn medogenloze optreden tegen de Schotten kreeg de leidende generaal van de Britten (Prince William) als bijnaam "Butcher Cumberband" (Slager Cumberland).
    Na de Schotse nederlaag in Culloden werd het dragen van een tartan verboden wegens jacobitische sympathie. Ook het spelen op de doedelzak en het spreken van de Gaelic taal werd verboden, net als het hebben van privélegers door de clanhoofden. Het betekende het einde van het clansysteem en verwante tradities.
    De Schotse Hooglanden waren tot dan toe broeihaarden van jacobitisme en het verzet tegen de Engelsen.
  • Justiciar:
    Titel vergelijkbaar met deze van rechter.
    Het ambtsgebied van een justiciar is een Justiciary.
  • Kanselier (chancellor of Exchequer):
    Dit is de titel voor de minister van het Britse kabinet die verantwoordelijk is voor alle financiële en economische zaken.
  • Kanunnik: 
    Domheer of koorheer, die aan het hoofd stond van een domkerk of kloosterorde.
  • Keeper van The Great Seal of Scotland:
    Dit is officieel de eerste minister van Schotland en de voogdij over de Seal ligt bij de Keeper of the Registers of Scotland (in de rol van vice-keeper van de Scottish Seal).
  • Kilbarchan Commissariot Record:
    Officiëel register van huwelijken, dopen, sterfgevallen en huwelijken in de parochie Kilbarchan.
  • Koning Colla Dá Cri(o)ch:
    De Drie Collas (Modern Iers: Trí Cholla) waren, volgens de middeleeuwse Ierse legende en historische traditie, de vierde-eeuwse zonen van Eochaid Doimlén, zoon van Cairbre Lifechair. Hun namen waren: Cairell Colla Uais, Muiredach Colla Fo Chrí (ook gespeld als Colla Dá Crich of Fochrich) en Áed Colla Menn. Colla Uais regeerde vier jaar lang als High King of Ireland. Recente DNA-analyse bevestigt de geschiedenis van de Three Collas in het Ierland van de vierde eeuw, maar twijfelt aan hun afkomst van Eochaid Doimlén en Cairbre Lifechair.
  • Laird:
    Erfelijke Schotse titel voor landeigenaar. De naam is expliciet aan de fysieke eigendom verbonden. Een vrouwelijke laird is een "Lady". Het is geen adellijke titel.
  • Lochleven Castle:
    Dit is een 14de eeuws kasteel op Castle Island in Loch Leven bij Kinross in de Schotse regio Perth en Kinross. Hier deed Maria I van Schotland (Mary, Queen of Scots) in gevangenschap, in 1567 afstand van de Schotse troon, ten gunste van haar minderjarig zoontje Jacobus VI.
  • Magister:
    Novicemeester, de leidsman(vrouw) van Rooms-Katholieke kloosterlingen.
  • Magni Rotuli Scaccarii Normannie::
    Een indexatie van gebeurtenissen die zich opspeelden tijdens de heerschappij van Richard I (1198) en Koning John (1201-1203) plus de controle van inkomsten en betalingen namens de overheid.
  • Marian burgeroorlog (Marian civil war 1568 - 1573):
    Een conflictperiode in Schotland na de gedwongen troonsafstand van Mary, Queen of Scots. Na de slag bij Langside bleef haar aanhang zich verzetten vanuit Edinburgh Castle tegen degenen die regeerden in naam van haar zoontje James VI. Na tussenkomst van de Engelsen werd het verzet van haar aanhang uiteindelijk de kop ingedrukt in mei 1573.
  • Markies:
    Markgraaf. Deze was in het bijzonder belast met het toezicht en het beheer van meerdere graafschappen, bestaande uit "marken" of grote districten langs de grenzen van het rijk.
  • Marshall:
    "Diender" of "politieagent".
  • Mary, Queen of Scots:
    Maria I Stuart of Stewart, ook bekend als Mary, Queen of Scots, was koningin van Schotland van 14 december 1542 tot 24 juli 1567 en katholiek. Zij was de dochter van koning Jacobus V en Maria van Guise. Toen zij zes dagen oud was werd zij al koningin, als gevolg van de dood van haar vader na de Slag bij Solway Moss. Nadat zij een moordcomplot had opgezet tegen de protestantse Engelse koningin Elisabeth, dat mislukte, werd ze geëxecuteerd toen ze 44 jaar oud was. Mocht het gelukt zijn dan was zij koningin geworden van Engeland, want ze was familie van (de protestantse) Elisabeth. Ten gevolge hiervan zou ook het katholieke geloof terug hersteld worden in Engeland.
  • Metonymisch(e) (beroepsnamen):
    Beroepsnaam afgeleid van het hoofdobject geassocieerd met de activiteit van de oorspronkelijke drager, zoals gereedschappen of producten. Bijvoorbeeld een schaapsherder die de naam "Shepherd" (schaapsherder) kreeg (van "sceap"-sheep/schapen en "hierde"-herder). Andere voorbeelden zijn "Baker" (bakker), "Butcher" (slager), "Wagoner"(wagenmaker).
  • Muur van Hadrianus:
    De muur van Hadrianus werd gebouwd nder Hadrianus, Keizer van Rome van 117 tot 138. Om zijn militaire apparaat en de provincies te kunnen inspecteren reisde hij veel rond, tot in Brittannia, waar hij van 122 tot 128 een 117 km lange muur liet bouwen.
    Deze muur van steen en turf was een versterking over de hele breedte van Groot-Brittannië en had als doel om de Romeinse noordgrens te schermen tegen binnenvallende Pictische stammen vanuit het noorden (het later Schotland). De muur vormde de grens van het Romeinse rijk en was tussen de 4 en 5 meter hoog. Ter bewaking bevonden zich op vaste afstanden 14 grote en 80 kleinere forten. Berichten werden mondeling doorgegeven van west naar oost en vice versa.
  • Mercian (Mercia):
    Het Koninkrijk Mercia (Oud Engels: "Mierce rice", "grensvolk") was een Angelsaksisch koninkrijk in Engeland, dat deel uitmaakte van de heptarchie de zeven angelsaksische koninkrijken in Engeland: Wessex, Sussex, Kent East Anglia, Mercia en Northumbria. Het gebied strekte zich uit van de Noordzee tot aan Wales. Het rijk werd gesticht in het begin van de 7de eeuw, kende een periode van bloei onder koning Offa (757/758 – 796). Offa Rex besteeg de troon na een periode van burgeroorlogen, intriges en kort op elkaar volgende regeringen. Hij regeerde eerst alleen in het koninkrijk Mercia, maar wist te profiteren van de instabiliteit van naastgelegen koninkrijken zoals Essex, Sussex, Wessex, Kent en East Anglia en vestigde zijn heerschappij ook daar. Tegenstanders schakelde hij uit; één van hen liet hij onthoofden. Dat wordt hem door sommige hedendaagse historici kwalijk genomen. Uiteindelijk had hij nagenoeg heel Engeland in handen en regeerde hij in de regio ten zuiden van de rivier de Humber, ook wel de Thames genoemd. Murcia maar in het begin van de 9de eeuw onderworpen door Egbert van Wessex.
  • Onafhankelijkheid van Schotland en Ierland:
    In 1314 overwon Robert The Bruce als aanvoerder van zijn leger de Engelsen bij de Slag van Bannockburn. Na zijn invallen in Engeland en Ierland, kroonde hij zijn broer Edward Bruce tot koning van Ierland in 1316. Hierna werd in 1328 de Schotse onafhankelijk officiëel door de Engelse koning Edward III bevestigd in het "Verdrag van Edinburgh-Northampton". Ierland en Schotland waren verwante onafhankelijke koninkrijken met de roomskatholieke godsdienst als voornaamste godsdienst. In 1603 werd het koninkrijk Schotland verenigd met zijn zuidelijke buurman Engeland (Engeland had al sinds de middeleeuwen een eenheid met Wales), maar Schotland was nog niet volledig geïntegreerd. Door deze vereniging met Engeland werd ook geforceerd het Engelse protestantisme doorgevoerd.
    Aan de 479 jaar durende onafhankelijkheid van Schotland kwam een definitief einde door de ondertekening van de "Akte van Eenheid" (Act of Union) op 24 maart 1707, waarbij beide landen samengevoegd werden en Groot-Brittannië ontstond. Het "Verenigd Koninkrijk" ontstond in 1801, toen het koninkrijk Ierland ook werd verenigd met Groot-Brittannië. 
    Ierland bestond tot dan toe uit de koninkrijken Ulster, Leinster, Munster, Connacht en Mide. Mide bestaat nu niet meer, maar de andere vier bestaan nu nog steeds als provincies (counties).
    Na de samenvoeging (Ierland & Groot-Brittannië) begon de Engelse taal de Ierse taal (Gaelic-Iers) te verdrukken als taal en kreeg het protestantisme ook méér voet aan wal, dit met tegenzin van met merendeel van de Ieren.
    Na vele conflicten en oorlogen werd in 1921 de "Ierse vrijstaat" opgericht. Het zuiden van Ierland (rooms-katholiek) had nu veel meer macht en was bijna onafhankelijk. Enkele gebieden in het noorden van het eiland bleven Brits. Hier waren veel (protestantse) Schotten naartoe verhuisd. Zij bleven trouw aan Engeland. Bij het uitroepen van de Ierse republiek in 1949 werd Ierland compleet onafhankelijk van het Verenigd Koninkrijk, behalve Ulster of Noord-Ierland, dat tot op heden onder Engels bestuur bleef. In de republiek Ierland is het katholicisme nog steeds de overheersende godsdienst, terwijl Noord-Ierland een mix is van katholicisme en protestantisme, waarbij de katholieke godsdienst en verwante politieke partijen steeds meer veld winnen.
    Dit zorgt tot op heden ten dagen nog steeds voor problemen, met tragische hoogtepunten als "The Troubles", die sinds de jaren 1960 tot 1998 voor een etnisch conflict zorgden in de regio tussen protestanten en katholieken.
    Sinds een aantal jaren, mede door toedoen van de Scottish National Party (die net geen absolute meerderheid heeft in het Schotse Parlement - 2016), is het streven naar een Schotse onafhankelijheid weer aan de orde. In een referendum van 18 september 2014 stemde een nipte meerderheid tegen onafhankelijkheid (55,3%), dit onder Minister-President Alec Salmond. Onder Minister-President Nicola Sturgeon is in 2019 een nieuwe aanzet gegeven voor een nieuw referendum, dat méér kan op slagen zou hebben (Indyref2). Immers, door de uitstap van het Verenigd Koninkijk uit de Europese Unie (2020?), waarbij Schotland, Noord-Ierland en Wales tegen hun zin werden meegesleept, is de vraag naar onafhankelijkheid weer aan de orde van de dag.
  • Onafhankelijkheidsverklaring van Arbroath (1320):
    De Declaration of Arbroath is een brief die op 6 april 1320 door Schotse edelen verstuurd werd naar paus Johannes XXII. Deze brief wordt tegenwoordig beschouwd als de Schotse onafhankelijkheidsverklaring.
    Dit was de belangrijkste passage:
    "Wij zijn bevrijd van vele en grote kwaden door de moed van onze heer en koning Robert. Zoals Judas Maccabeüs en Jozua heeft hij pijn, verlangen en gevaar getrotseerd om zijn volk en koninkrijk te redden van hun vijanden. Vanwege zijn afkomst, de voorzienigheid van God, de wettige opvolging en onze onderlinge instemming, hebben wij hem tot onze koning gemaakt, omdat door hem onze redding is bewerkstelligd.
    Als hij ons doel zou opgeven en zou knielen voor de Engelsen, dan zouden wij hem uit ons midden verwijderen als een vijand, en een andere koning kiezen, die ons zou beschermen. Want zolang er nog honderd van ons overgebleven zijn, zullen wij nooit knielen voor de Engelse heerschappij. Wij vechten niet voor glorie, noch voor rijkdom, noch voor eer, maar voor die vrijheid, waarvan geen mens afstand doet, behalve met zijn leven.
  • Parish - parochie (civil parish):
    Het laagste bestuurlijke niveau, dat ontstond uit de parochies van de Engelse Kerk. Vanaf 1555 werden ze verantwoordelijk voor de aanleg van wegen en in de eeuwen erop kregen ze steeds meer een bestuurlijke functie. Het bestuur van een parish wordt uitgevoerd door de council. 
  • In Schotland (en Ierland) bestaan ze formeel nog steeds, maar ze worden niet in de bestuurlijke vorm gebruikt.
  • Patroniem:
    Vadersnaam, die aangeeft hoe de vader van de naamdrager heet, zoals Willems(en)/Willemszoon.
  • Picten:
    De Picten, die leefden in Noord-Schotland, hadden een eigen taal. De beschaving ging ten onder onder druk van de Schotten en de Vikingen. De taal was hoogstwaarschijnlijk Keltisch en er wordt gezegd dat ze verwant is aan het Baskisch. St. Columba van Iona had in de 6de eeuw een tolk nodig om met hen te kunnen praten bij zijn kerstening. Woorden zoals "meq", zou zoon kunnen betekenen (mac in het Schots).
  • Pipe Rolls (Rolls of the Pipe/Great Rolls):
    Deze zijn een verzameling van financiële gegevens die worden bijgehouden door de Engelse schatkist en zijn opvolgers en dit vanaf de 12de eeuw tot 1833. Het zijn de oudste ononderbroken archieven met betrekking tot het Engels bestuur.
  • Peer (peerage):
    Is een systeem van adellijke titels, gebruikt in Groot-Brittannië. De naam peerage wordt algemeen gebruikt als een verzamelnaam voor alle adellijke titels. Een drager van een adellijke titel wordt daarom ook gezien als een "peer".
  • Poll Tax Roll:
    Registratie van de hoofdbelasting of capitation. Het is een belasting die als een vast bedrag wordt geheven op elke aansprakelijke persoon.
  • Polygenetisch:
    Het verervingpatroon van twee of meer paren genen zonder invloed van het milieu.
  • Presbyteriaans:
    Een vorm van calvinisme, ontstaan in Schotland en Engeland tijdens de Schotse Reformatie, die vooral door John Knox geleid werd. Het is de evenknie van de Nederlandse gereformeerde kerken. De leidende "presbyters" zijn leken.
  • Privy Council (Councellor):
    Dit is het formeel orgaan van adviseurs van de Soeverein (Kroon) van het Verenigd Koninkrijk. Het lidmaatschap bestaat voornamelijk uit vooraanstaande politici die huidig ​​of voormalig lid zijn van het Lagerhuis of het Hogerhuis.
    De Privy Council adviseert formeel de soeverein over de uitoefening van het Koninklijk Voorrecht en geeft corporatief (als Koningin-in-Council) uitvoerende instrumenten uit die bekend staan ​​als Orders in Council, die onder andere bevoegdheden van het Parlement vaststelt. De Raad is ook bevoegd om gedelegeerde bevelen uit te vaardigen, meestal gebruikt om bepaalde openbare instellingen te reguleren. De Raad adviseert de soeverein bij de uitgifte van koninklijke charters, die worden gebruikt om een ​​speciale status te verlenen aan opgenomen organen, en de status van stad of gemeente aan lokale autoriteiten. Anders zijn de bevoegdheden van de Privy Council nu grotendeels vervangen door het uitvoerend comité, het kabinet van het Verenigd Koninkrijk.
  • Ragman Rolls (Statute of Rageman - De Ragemannis):
    Toen in 1291 Edward I van Engeland bereid was om in 1291 een aantal eisers van de Schotse troon aan te horen en te beslissen wie de meest geldige claim hierop had, liet hij in legaten bevestigen wie van de Schotse adel trouw aan hem zwoer. sommigen weigerden, maar vele ondertekenden.
    Maar John Balliol (Schotse koning van 1291 tot 1296) begon zich te verzetten tegen de eisen van Edward, werd dit beslecht in de "Slag bij Dunbar", waar de troepen van Edward als overwinnaars uit de bus kwamen. Zijn veroveringsdrang leidde hem verder tot aan de Moray Firth, waarbij hij diverse kastelen veroverde. Ook de "Stone of Destiny" werd vanuit Scone naar het Londense Westminster overgebracht, net als de Schotse kroon en het merendeel van de Schotse nationale archieven.
    Op 28 augustus 1296 werd door Edward I een "parlement" gehouden in Berwick. Alle prominente Schotse landeigenaren, de clerus en het burgerlijk bestuur werden opgeroepen om hun trouw te zweren aan hem. Prominente mensen, zoals Robert de Bruce, zijn zoon en de oom van William Wallace Reginald de Crauford, die wèl in 1296 ondertekend hadden, tekenden niet in 1296. Maar in totaal werden toch ongeveer 2.000 handtekeningen geregistreerd.
  • Red Comyn:
    John III Comyn (12 ?? - Dumfries, 10 februari 1306) was heer van Badenoch en Lochaber. Zijn bijnaam was ook wel de Rode Comyn. Comyn was een Schotse edelman en belangrijk figuur tijdens de 'Schotse onafhankelijksheidsoorlogen'. Hij was Beschermheer van Schotland tijdens de tweede koningsonderbreking 1296-1306. Hij is het bekendst om zijn dood, hij werd doodgestoken door de toekomstige koning Robert I van Schotland voor het altaar van de Greyfriars kerk in Dumfries.
    Zijn vader John II Comyn, de Zwarte Comyn, was een van de vele kandidaten voor de kroon van Schotland. Hij claimde daarmee dat hij een afstammeling was van Donald III van Schotland. Zijn moeder was Eleanor (Alianora) Balliol, oudste dochter van John Balliol en zus van de in 1296 afgezette Schotse koning John Balliol. De Rode Comyn was waarschijnlijk verbonden aan de koninklijke bloedlijn van Frans-Normandische afkomst. Rond 1290 trouwde Comyn met Joan de Valence, een dochter van William de Valence, graaf van Pembroke en een oom van Eduard I van Engeland.
  • Regent Albany:
    Regent Albany kan verwijzen naar de verschillende Hertogen van Albany die als regent van het Koninkrijk Schotland dienden:
    - Robert Stewart, Duke of Albany (circa 1340 - 1420)
    - Murdoch Stewart, Duke of Albany (1362–1425)
    - John Stewart, 2de hertog van Albany (1481-1536)
  • Register van Dunfermline (Registrum de Dunfermelyn):
    Dit artefact is door wetenschappers geselecteerd als cultureel belangrijk en maakt deel uit van de kennisbasis van de beschaving zoals wij die nu kennen. Hierin werden allerlei gebeurtenissen, geboortes, huwelijken, grondoverdrachten, disputen enz... opgetekend.
  • Roll of Battle Abbey:
    De Battle Abbey Roll was een herdenkingsmonument, dat verdwenen is sinds ten minste de 16de eeuw. Hierin werden de metgezellen van Willem de Veroveraar opgelijst. Het werd vervaardigd in Battle Abbey in Hastings. Deze abdij werd gebouwd op de plaats waar koning Harold in 1066 werd gedood tijdens de Slag van Hastings.
  • Rotuli Hundredorum (The Hundred Rolls):
    Deze "rollen" omvatten een overzicht van de koninklijke voorrechten in 1255 en onderzoeken over vrijheden en landeigendom in 1274/1275 en 1279/1280. De twee belangrijkste onderzoeken werden gevoerd in opdracht van Edward I van Engeland, dit om de volwassen bevolking om gerechtelijke en fiscale redenen te registreren. Ze specifiëerden ook de diensten die de huurders aan het feodale systeem uit die tijd verschuldigd waren. Veel van deze rollen zijn verloren gegaan en weer andere zijn beschadigd, maar een minderheid ligt opgeslagen in het Nationaal Archief in Kew, bij Richmond (Londense buitenwijk).
  • Sacre pagine:
    Degene die de Heilige Schrift bestudeerde en interpreteerde was een sacre pagine.
  • Saint Columba:
    Columba "van Iona" was een Ier van koninklijken bloede van het geslacht Connell van Donegal en Tyrone. In zijn jeugd was het christendom nog het geloof van een kleine groep edelen. Na het bloedbad van 561 besloot hij Ierland te verlaten en kwam hij aan op het eiland Iona. Hij en zijn kloosters hadden een heel sobere leefregel: ze aten of dronken nauwelijks, sliepen uiterst weinig, baden op één dag 150 psalmen en gebeden. Na elke psalm en/of gebed werden er drie kniebuigingen gemaakt. Ze brachten uren tot aan de borst in ijskoud water door en deden aan handwerk om tegen de slaap te vechten. De kerstening vond plaats tot in Northumbrië, Faeröer en IJsland.
    Hij zou in 564, toen hij na een begrafenis van een man die gedood werd door een "waterbeest" langs de Ness rivier liep, werd zijn assistent aangevallen door een watermonster. Columba hief een kruis op en sprak in de naam van God: "Tot hier en niet verder! Raak de man niet aan! Ga onmiddellijk weg!". Het monster dat duidelijk dezelfde taal machtig was gehoorzaamde en droop af.
  • Saxen (Saksen):
    De Saksen (In het Latijn: Saxones, in het Oudengels: Seaxe, in het Oudsaksisch: Sahson, in het Nederduits: Sassen, in het Duits: Sachsen) waren een confederatie van Germaanse stammen die zich tijdens de late romeinse tijd en de vroege middeleeuwen op de Noord-duitse Laagvlakte bevonden. Het overgrote merendeel van de Saksen bleef in het huidige Duitsland en bood weerstand tegen het zich uitbreidende Frankische Rijk door het leiderschap van de semi-legendarische Saksische held Widukind. Het vroegste woongebied van de Saksen was waarschijnlijk Noordalbingië. Hun gebied besloeg ongeveer de grootte van wat tegenwoordig zuidelijk Sleeswijk-Holstein is. Dit gebied wordt meestal ook gezien als het leefgebied van de Angelen.
    Een deel van de Saksen, samen met de Angelen en andere continentale Germaanse stammen, nam vanaf de 5e eeuw deel aan de Angelsaksische vestiging in Groot-Brittannië. De Brythonisch-Keltische bevolking noemde al deze groepen gezamenlijk Saksen. Het is niet bekend hoe groot hun aantal precies was, hoewel er wordt geschat dat ongeveer tweehonderdduizend Angelsaksen de oversteek maakten naar het eiland Groot-Brittannië.[2] In de middeleeuwen oefenden de Saksen veel invloed uit op de talen en culturen van Noord-Germaanse, Baltische, Finse, Polabische en Pomeriaanse (West-Slavische) volkeren.
  • Scarisbrick Charters:
    Oude oorkondes die bewaard worden in de parochie (gemeente) Scarisbrick in de provincie Lancaster.
  • Schisma:
    Splitsing of afscheuring van een organisatie in minstens twee verschillende kampen.
  • Schots Parlement (Pàrlamaid na h-Alba):
    Het oorspronkelijke Parlement van Schotland (Estates of Scotland) was vanaf het begin van de 13de eeuw het nationale wetgevende instituut van het onafhankelijk koninkrijk Schotland. Na de samenvoeging met Engeland in 1707 (Acts of Union) werden de Schotse en Engelse parlementen samengevoegd, met als hoofdzetel het Londense Westminster.
    Na een referendum over de Schotse "devolution" (1997), waarbij de vraag gesteld werd om (een deel van) de macht te decentraliseren van Westminster naar Edinburgh, werd ten gevolge van de "Scotland Act" in 1998 het huidige parlement, dat zetelt in Edinburgh (Holyrood) opgericht. De belangrijkste bevoegdheden blijven echter voor Westminster voorbehouden. Het parlement heeft 129 leden en worden verkozen voor en termijn van vier jaar. 73 leden vertegenwoordigen de geografische kiesdistricten en de overige 56 leden vertegenwoordigen acht regio's, die elk 7 parlementsleden kunnen kiezen. De grootste partij in het parlement (2016-2020) is de Scottish National Party (SNP) met 63 zetels, gevolgd door de Conservatieven (Tories) met 31 zetels.
  • Sheriff:
    Hoge ambtenaar in het lokaal bestuur van Schotland - sheriff, landrechter, baljuw (een soort vrederechter) zie ook Baillie.
  • Senechal(k):
    Plaatsvervanger van de koning, belast met het financieel beheer.
  • Slag bij Baugé:
    Deze werd gevochten tussen het Engelse (4.000 manschappen, waarvan er maar 1.500 zijn uitgerukt) en een Franco-Scots leger (5.000 manschappen) op 22 maart 1421 in Baugé, Frankrijk, ten oosten van Angers. Het was een grote nederlaag voor de Engelsen in de Honderdjarige Oorlog. De Franco-Schotten hadden slechts lichte verliezen, de Engelsen hadden 1.000 doden en 500 manschappen werden gevangenomen. 
  • Slag bij Bannockburn (Battle of Bannockburn):
    Deze slag op 23 en 24 juni 1314 was een succes voor het leger van de Schotse koning Robert The Bruce tegen het leger van Edward II van Engeland. Deze slag was een gevolg van de invasie door Engelse legers een jaar eerder. Het was de Eerste Onafhankelijkheidsoorlog. Waarschijnlijk vond de slag niet plaats waar nadien een monument gebouwd werd bij Stirling, maar wel OF op de turfgronden (Dryfield) nabij het dorpje Balquhiderock, OF op de "Carse of Balquhiederock, zo'n 2,4 km ten noordoosten van het monument. De "National Trust of Scotland" acht dit laatste het meest aannemelijk. Van de 16.000 Engelsen stierven er 11.000. De Schotse verliezen waren in verhouding niet vermeldenswaard. Hierna startte de Scotse invasie van Ierland. In ruil voor de vrijlating van Engelse nobelen liet Edward II de echtgenote van Koning Bruce (Elisabeth de Burgh) vrij, samen met zijn zuster Mary en zijn dochter Marjorie, die allen 8 jaar in Engelse gevangenschap hadden gezeten. Dit leidde uiteindelijk tot de erkenning van de Schotse Onafhankelijkheid van het Koninkrijk Schotland.
  • Slag om Brechin:
    De Slag om Brechin werd gevochten op 18 mei 1452 tijdens het bewind van James II van Schotland, ongeveer twee en een halve mijl ten noordoosten van Brechin. Het werd beschouwd als onderdeel van de burgeroorlog tijdens zijn bewind tussen de koning en een alliantie van machtige adellijke families onder leiding van de Black Douglases, die als de koning won, belangrijk was in de ontwikkeling van een relatief sterke gecentraliseerde monarchie in Schotland tijdens de late Middeleeuwen.
    Een royalistisch leger gevormd door de Clan Gordon en Clan Ogilvy, geleid door Alexander Gordon, 1ste graaf van Huntly, versloeg de rebel Alexander Lindsay, 4de graaf van Crawford, een leidende bondgenoot van de Black Douglases. Kort nadat Crawford zich bij de koning had aangemeld en de Black Douglases meer geïsoleerd had achtergelaten om te worden verslagen in de Slag om Arkinholm in 1455.
    Er wordt echter ook gezegd dat het om een ​​gelokaliseerd conflict in het noordoosten van Schotland ging, dat slechts in beperkte mate relevant was voor bredere conflicten in Schotland als geheel, ondanks het feit dat de Gordons vochten onder de koninklijke vlag.
  • Slag bij Carberry Hill (Battle of Carberry Hill - 15 juni 1567):
    Deze vond plaats bij Musselburgh (East Lothian), ten oosten van Edinburgh, nadat een aantal Schotse lords bezwaar hadden tegen de heerschappij van Mary, Queen of Scots. Deze was net gehuwd met de graaf van Bothwell. Er werd aangenomen dat Mary haar eerste echtgenoot Lord Darnley, had laten vermoorden. Om deze reden wilden de Schotse lords wraak nemen. Terwijl de graaf van Bothwell kon ontsnappen, gaf Mary zich over en deed troonsafstand.
  • Slag bij Culloden (16 april 1746):
    De Slag bij Culloden Moor was de laatste slag tussen de katholieke Jacobieten geholpen door Fransen en het protestantse Huis Hannover en de laatste veldslag gevochten op het eiland Groot-Brittannië. De slag vond plaats bij de dorpsgemeenschap Culloden nabij de Noord-Schotse stad Inverness. De Schotse jacobieten (7.000 man sterk) werden geleid door Karel Eduard Stuart (Bonnie Prince Charlie), het Britse Leger (8.000 man sterk) door Hertog Willem van Cumberland (Butcher Cumberland). De Schotse verliezen waren enorm groot (1.500 tot 2.000 doden en gewonden), in enorm contrast met deze van de Engelsen (50 doden en 259 gewonden). Het moerassige slagveld werd door Prins Karel gekozen, tegen het advies in van zijn adviseur Lord Murray. 
    Hierna moest Schotland het ontgelden: alle wapens werden verboden, net als de doedelzak, die ook tot wapen werd verklaard. Ook het dragen van Schotse kleding, waaronder de kilt, werd verboden. Prins Karel kon vluchten naar Europa en overleed op 31 januari 788 in Rome.
  • Slag bij Drumnacoub (Battle of Druim na Coub):
    Dit waren gevechten tussen de clans MacKay en Sutherland tussen 1427 en 1433 op een heuvel (Carn Fada) aan de zuidkant van de Kyle of Tongue, tussen Ben Loyal en het dorp Tongue. De clan MacKay werd aangevoerd door Angus Dow MacKay en zijn tweede zoon John Aberach MacKay. Zijn eerste zoon "Niel Vasse" had gevangen gezeten op Bass Rock, na de slag bij Harpsdale. Bij de clan Sutherland, die geleid werd door Angus Murray vochten twee neven van de MacKays mee, Morgan Leilson en Niel Neilson. De clan Sutherland moest uieindelijk het onderspit delven.
  • Slag bij Dunbar (Battle of Dunbar - 3 september 1650): 
    Deze wordt beschouwd als één van de belangrijkste veldslagen vabn de Derde Engelse Burgeroorlog. De Engelse parlementaire troepen onder Oliver Cromwell versloegen een Schots leger onder bevel van David Leslie dat loyaal was aan Charles. Charles was op 5 februari 1649 door het parlement van Schotland uitgeroepen tot koning van 'Groot-Brittannië', Frankrijk en Ierland, vijf dagen na de executie van zijn vader Charles I. Ondanks de nederlaag in Dunbar ging het Anglo-Schotse conflict door tot 1651. Tijdens die periode arriveerde Charles in Schotland en werd hij gekroond als King of Scots bij Scone. Het slagveld van Dunbar is geïnventariseerd en beschermd door Historic Scotland.
  • Slag om Dupplin (Moor):
    Deze slag werd in 1332 uitgevochten tussen de loyalistische aanhangers van het kind David II (de zoon van Robert de Bruce), o.a. Donald, de Graaf van Mar & Duncan, Graaf van Fife en de rebellen die Edward Balliol en Henry de Beaumont  ondersteunden. De slag maakte deel uit van de Tweede Schotse Onafhankelijkheidsoorlog.
    De loyalisten zetten een leger van 10.000 tot 15.000 man in en telden 2.000 tot 13.000 verliezen in hun rangen, de winnende Balliol supporters verloren slechts 33 man van een inzet van 1.500 tot 3.000 man.
    Enkele weken na de strijd werd Edward Balliol tot koning gekroond in Scone. Maar gevaarlijk geïsoleerd in een vijandig land verplaatste hij zijn troepen naar het oude Balliol-patrimonium in Galloway, het enige deel van Schotland dat enige vorm van steun voor de nieuwe koning vertoonde. In december werd hij bij Annan verrast door een groep Bruce loyalisten en half gekleed achtervolgd tot over de Engelse grens. Elke toekomstige poging om zijn troon te herstellen vereiste de openlijke steun van de Engelse koning.
  • Slag om Durham (Slag bij Neville's Cross - 17 oktober 1346):
    In de loop van 1346 werd duidelijk dat de Engelsen onder koning Eduard III op het punt stonden om de Honderdjarige Oorlog tegen Frankrijk te hervatten. Koning Filips VI van Frankrijk was verontrust door een mogelijke invasie omdat zijn troepen nog niet gereed waren om het noorden van Frankrijk te verdedigen. Daarom riep hij het oude bondgenootschap (Auld Alliance) met Schotland nieuw leven in door koning David II om hulp te vragen. Hoewel de oproepen van Filips steeds wanhopiger werden, viel de Schotse koning pas in oktober Engeland binnen.
    Op 7 oktober trok het Schotse leger, 12.000 man sterk, de Schots-Engelse grens over. Liddesdale werd ingenomen en van Carlisle werd een afkoopsom ontvangen. Hoewel de Schotten het verrassingselement aan hun zijde hadden, waren de strategische en tactische capaciteiten van David niet dusdanig dat hij er zijn voordeel uit kon halen. Een week na het oversteken van de grens rukten de Schotten op in de richting van Durham en Yorkshire, waarbij de priorij van Hexham werd geplunderd. De Franse koning had aan de Schotse koning bericht dat het noorden van Engeland een 'onverdedigde leegte' was. In werkelijkheid had koning Eduard aan William Zouche, aartsbisschop van York, de opdracht gegeven om een klein leger bijeen te brengen om het noorden te verdedigen. In Richmond werden regimenten uit Lancashire, Northumberland en Cumbria in allerijl samengebracht. Het leger dat uit deze regimenten werd samengesteld was niet groot en 3.000 man uit Yorkshire waren nog onderweg. Doordat Eduard voor mensen had ingezet voor het beleg van Calais konden er niet meer mannen aan de aartsbisschop ter beschikking worden gesteld. Op 14 oktober besloot de aartsbisschop om niet meer te wachten op de mannen uit Yorkshire.
    De Schotten ontdekten het Engelse leger pas in de morgen van 17 oktober toen de voorhoede onder leiding van William Douglas in de ochtendmist stuitte op de Engelse voorhoede. Met zware verliezen werden de Schotten teruggeslagen waarop de David besloot om zijn troepen op hooggelegen terrein bij Neville's Cross op te stellen. Hun eerdere nederlagen bij Dupplin Moor en Halidon Hill indachtig besloten de Schotten zich defensief op te stellen. Aangezien ook de Engelsen dit deden ontstond er een impasse. Het terrein dat de Schotse koning had gekozen was niet erg goed en toen de Engelse boogschutters de Schotten aanzetten tot een aanval, vielen de Schotse formaties gemakkelijk uiteen. De Schotse aanvallen werden gemakkelijk afgeslagen en toen duidelijk werd dat de Engelsen aan de winnende hand waren, lieten verschillende edelen de Schotse koning in de steek. In de middag wilde ook de koning zich terugtrekken, maar hij werd na harde gevechten gevangengenomen.
    De Engelsen verloren weinig troepen, de Schotten daarentegen ongeveer 1.000 man.
    De overlevering verhaalt dat David er in eerste instantie in slaagde om het slagveld te ontsnappen. Hij werd ontdekt door een groep Engelse soldaten nadat zijn spiegelbeeld in het water werd gezien toen hij zich verschool onder een brug over de Browney. De leider van de groep, John Copeland, werd tot ridder geslagen. David werd gevangengezet in Odiham Castle in Hampshire, waar hij van 1346 tot 1357 verbleef. In 1357 werd hij met 100.000 mark vrijgekocht.
  • Slag van Ederline:
    Deze slag vond plaats in 1647 nabij Ford in de buurt van Loch Ederline (Lochgilphead). Er zijn weinig gegevens bekend over deze slag.
    Archibald Mac Callum werd geboren in 1605 en studeerde in 1627 af aan de Universiteit van Glasgow met een Master of Arts.
    Archibald had drie zonen, Zachary, Donald en Neil. Zachary Mor MacCallum, die zijn vader opvolgde in Poltalloch, stond bekend om zijn kracht en vaardigheden als zwaardvechter. In de strijd om Ederline in 1647 ontmoette Zachary Alasdair MacCholla (Colkitto, The Devastator), een MacDonald, die bekend stond als de meest woeste zwaardvechter in heel Gaeldom. In één gevecht versloeg Zachary deze reus van een man. 
  • Slag bij Flodden Field (Battle of Flodden Field - 9 september 1513):
    Dit was een strijd in Northumberland, in het noorden van Engeland tussen een Schots invasieleger onder leiding van Jacobus IV en een Engels leger onder leiding van Thomas Howard, 2de Hertog van Norfolk. De slag eindigde met een bloedige nederlaag van de Schotten. Het was de grootste strijd tussen beide landen, in termen van aantal deelnemers, 34.000 Schotten tegenover 26.000 Engelsen.
    De Schotten verloren 7.000-8.000 manschappen, de Engelsen ongeveer 1.500.
  • Slag van Hastings:
    De Slag bij Hastings werd op 14 oktober 1066 uitgevochten tussen een Normandisch-Frans leger onder leiding van hertog Willem II van Normandië en een leger onder leiding van de Angelsaksische koning Harold II. De slag is vernoemd naar de Engelse plaats Hastings, maar vond in werkelijkheid ongeveer tien kilometer ten noordwesten van Hastings plaats, waar nu de naar de slag genoemde plaats Battle ligt. De uitkomst van de Slag bij Hastings was een beslissende Normandische overwinning, de eerste en belangrijkste stap in de Normandische verovering van Engeland. De 19e-eeuwse Britse historicus Edward Creasy rekende de Slag bij Hastings onder de vijftien meest beslissende veldslagen in de wereld.
    De Normandiërs werden gesteund door Bretoenen, Aquitanen, Vlamingen en Fransen, met in totaal ongeveer 10.000 krijgers. De Angelsaksen hadden een leger van 7.000-8.000 manschappen. Deze laatsen leden méér verliezen dan de Normandiërs (circa 2.000 doden en gewonden).
  • Slag om Harlaw:
    De Slag om Harlaw (Schots-Gaelisch: Cath Gairbheach) was een Schotse clanstrijd die werd gevochten op 24 juli 1411 net ten noorden van Inverurie in Aberdeenshire. Het was één van een reeks veldslagen die in de middeleeuwen tussen de baronnen van Noordoost-Schotland tegen die van de westkust werden gevoerd.
    De strijd werd uitgevochten om concurrerende claims op het graafschap Ross, een groot deel van Noord-Schotland, op te lossen. Robert Stewart, hertog van Albany, regent van Schotland, had de leiding over het graafschap overgenomen als hoedster van zijn nicht Euphemia Leslie. Deze claim werd betwist door Donald, Lord of the Isles, die met Euphemia tante Mariota was getrouwd. Donald viel Ross binnen met de bedoeling om het graafschap met geweld te grijpen.
    Eerst versloeg hij een grote kracht van Mackays in de Slag om Dingwall. Hij veroverde het kasteel van Dingwall en rukte vervolgens op met 10.000 clansmen naar Aberdeen. In de buurt van Inverurie werd hij ontmoet door 1.000 - 2.000 van de plaatselijke adel, velen in wapenrusting, haastig verzameld door de graaf van Mar. Na een dag van hevige gevechten was er geen duidelijke overwinnaar; Donald had 900 mannen verloren voordat hij zich terugtrok op de westelijke eilanden en Mar had 600 verloren. De laatste kon een strategische overwinning claimen in die zin dat Aberdeen gered was en binnen een jaar had Albany Ross heroverd en Donald gedwongen zich over te geven. Mariota kreeg later echter het graafschap Ross in 1424 en het Lordship of the Isles zou de titel gedurende een groot deel van de 15e eeuw behouden.
    De wreedheid van de strijd gaf het de bijnaam "Rode Harlaw". Het wordt herdacht door een gedenkteken van 12 meter hoog op het slagveld bij de stad Inverurie, zogenaamd door de kerk in Chapel of Garioch en door ballads en muziek.
  • Slag bij Langside (Battle of Langside):
    Deze vond plaats op 13 mei 1568 tussen de loyale troepen (6.000 soldaten) van de ontsnapte Mary Queen of Scots en troepen die handelden in naam van haar zoontje James VI (4.000 soldaten). In 1567 was de regeerperiode van Mary (die zich kenmerkte door verwijten, intrige en rampspoed) beëindigd toen ze na haar gevangenneming in Carberry Hill moest afstand doen van haar zoontje James VI. Ze werd opgesloten in Loch Leven Castle, terwijl haar protestantse halfbroer James Stewart (graaf van Moray) werd benoemd tot regent. Mary's troepen verloren echter deze slag (méér dan 100 doden tegenover 1 dode bij de tegenstander) en ze ging in ballingschap en gevangenschap in Engeland. Het was de start van de Marian burgeroorlog tussen haar aanhangers en deze van de Schotse regent.
  • Slag om Lumphanan:
    De slag om Lumphanan werd op 15 augustus 1057 uitgevochten tussen Macbeth, King of Scots en Máel Coluim mac Donnchada, de toekomstige koning Malcolm III. Macbeth werd gedood, nadat hij zijn terugtrekkende krachten naar het noorden had getrokken om een ​​laatste standpunt in te nemen.
  • Slag om Marsden Moor (Marston Moor - 2 juli 1644):
    De Slag bij Marston Moor was een van de beslissende veldslagen in de Engelse Burgeroorlog.De slag vond plaats bij Long Marston in North Yorkshire. De slag eindigde in een overwinning voor het Engelse Parlement, dat hierdoor de effectieve controle over Noord-Engeland verkreeg.
  • Slag bij Otterburn (Battle of Otterburn - 1388):
    De Slag bij Otterburn was een veldslag tussen een Schots en een Engels leger tijdens een augustusnacht in 1388. De confrontatie vond plaats ongeveer 1 km ten westen van het Engelse Otterburn, niet ver van de Schots-Engelse grens in de Cheviot Hills. De slag kan ook gezien worden als een fase in de 100- Jarige Oorlog, toen Engeland tegen Schotland en Frankrijk, verenigd in de Auld Alliance, om de heerschappij vochten. Ook lokale belangen in de grensstreek en de reeds lang aanslepende vete tussen de adellijke families Douglas en Percy speelden een rol. De plaats wordt gemarkeerd door een monument, Percy's cross.
  • Slag om Philiphaugh (13 september 1645):
    De Slag om Philiphaugh werd gevochten op tijdens de Wars of the Three Kingdoms bij Selkirk in de Schotse grensstreek. Het royalistische leger van de markies van Montrose werd vernietigd door het Covenanter-leger van Sir David Leslie en herstelde de macht van het Comité van Landgoederen.
    De Royalisten zetten 800 man in, waarvan er 500 stierven, bij de 7.000 Schotten waren er weinig verliezen.
    Montrose probeerde nadien een ander leger in de Hooglanden op te richten, maar was niet in staat het veld tegen het leger van Leslie te winnen. Nadien kreeg hij het bevel van Koning Charles, die zelf in gevangenschap vertoefde, om de wapens neer te leggen. 
  • Slag bij Pinkie Cleugh (Battle of Pinkie Cleugh - 10 september 1547): 
    Dit was een militaire confrontatie tijdens de Rough Wooing, een agressieve campagne van de Engelse regent Edward Seymour, hertog van Somerset, om zijn neef Edward VI van Engeland te laten huwen met de vierjarige Maria I van Schotland. Dit was op een veto van James Hamilton, 2de earl van Arran, gestuit, waarna Somerset de oorlog aan Schotland verklaard had. Pinkie Cleugh is een helling aan de oever van de Esk in Musselburghse grensstreek(East Lothian). Het Schotse woord cleugh betekent een afgrond of richel en is onbekend in Engeland, waar meestal kortweg van de Slag bij Pinkie gesproken wordt. Destijds stond de veldslag in Engeland echter als de Slag bij Musselburgh bekend. Ten tijde van het conflict bestond reeds ongeveer 250 jaar een alliantie tussen Schotland en Frankrijk, waardoor Frankrijk zich in Schotse politieke aangelegenheden mengde. Het Engelse leger bestond uit ongeveer 18.000 manschappen en was daarmee minder talrijk dan het Schotse, dat op 22.000 tot 34.000 soldaten is geschat. Door de inzet van een vloot in de monding van de Esk werd de strijd echter een gecombineerde veld- en zeeslag, die in het voordeel van de troepen van Somerset uitdraaide. De Engelsen verloren hierbij circa 200 manschappen; het precieze aantal Schotse gesneuvelden is onbekend, maar bedroeg meerdere duizenden. 10 september 1547 staat derhalve bekend als Zwarte Zaterdag.
  • Slag bij Verneuil:
    Deze veldslag werd uitgevochten op 17 augustus 1424 (in Normandië) tijdens de Honderdjarige Oorlog tussen de legers van Engeland en Bourgondië (8.000 man sterk, 1.600 doden) tegen een gecombineerd leger van Fransen en Schotten (14-16.000 man sterk, 6.000 tot 10.000). Door deze slag zouden de koninklijke aspiraties van Karel VII in de grond geboord. Hierdoor zou het jaren duren voor de Schotten weer een sterk leger konden samenstellen om enige bedreiging te vormen voor de Engelsen. Uiteindelijk slaagde Jeanne d'Arc er wel in om de weg naar Reims open te leggen voor de koning.
  • Slag van Sark (Battle of Sark/Battle of Lochmaben Stone):
    Deze slag werd i oktober 1448 uitgevochten tusen de Schotten (4.000 soldaten) en de Engelsen (6.000 soldaten). Na de slag bij Otterburn (1388), die door de Schotten gewonnen werd, was dit de tweede in ruim een halve eeuw met een positief resultaat. De Schotten verloren, al naargelang de bron tussen de 26 en 600 man, de Engelsen registreerden tussen de 2.000 en 3.000 doden. Er verdronken veel slachtoffer door het opkomende getijde van de rivier "De Sark".
  • Slag bij Sauchieburn (Battle of Sauchieburn - 11 juni 1488):
    Deze slag werd uitgevochten bij de Sauchiebeek, drie kilometer ten zuiden van Stirling, tussen royalistische aanhangers van Koning James III van Schotland (30.000 man sterk) en een grote groep Schotse adellijke rebellen met o.a. Alexander Home, Archibald Douglas en Lord Gray (18.000 man sterk). Koning James III stierf in of vlak na de strijd, waarna Prince James de troon besteeg als James IV voor 25 jaar.
  • Slag bij Sheriffmuir (13 november 1715):
    De slag bij Sheriffmuir (bij Dunblane) was een strijd tussen de troepen van koning George I van Engeland en zijn tegenstanders, de aanhangers van de voormalige koning James en de Schotten, ook wel de Jacobieten genoemd.
    Op 13 november kwamen de troepen van de Jacobieten in gevecht met legers van de Engelse koning George I bij het plaatsje Sheriffmuir. De troepen van de koning bestonden uit 4.000 man onder leiding van de Hertog van Argyll. Het Jacobietenleger, geleid door de Graaf van Mar, bestond uit ongeveer 10.000 man. Dit leger was echter niet goed getraind en bestond voornamelijk uit clans van Schotse Hooglanders die gebruik maakten van ouderwetse vechttechnieken.
    Geen van de twee partijen had duidelijk de overhand. Tijdens de slag vielen er veel slachtoffers, met name aan de kant van de koning. Uiteindelijk bleef de strijd onbeslist. Bij het vallen van de avond hadden beide partijen zich teruggetrokken. De Jacobieten hadden echter de beste uitgangspositie. Door onjuiste informatie geloofde de Graaf van Mar echter dat de koning nog een enorm leger had en trok zich terug naar het Noorden. Dit maakte koning George en zijn leger uiteindelijk de overwinnaar.
  • Slag om Verneuil (17 augustus 1424):
    Deze veldslag werd uitgevochten tijdens de Honderdjarige Oorlog tussen de legers van Engeland en Bourgondië tegen een gecombineerd leger van Fransen en Schotten.
    In augustus ging het leger van Schotten en Fransen onderweg naar een kasteel in de buurt van Le Mans om het beleg van de Engelsen daar te stoppen. Voor het leger de plaats bereikte had het kasteel zich al overgegeven aan de Engelsen. Na enig beraad besloot het leger om de Engelse bolwerken in Normandië aan te vallen en ze zouden beginnen met Verneuil. Met behulp van een list slaagde het leger erin om de plaats in te nemen.
    Toen Jan van Bedford vernam dat Verneuil in de handen was gevallen van de Fransen en Schotten mobiliseerde hij zijn leger om het gecombineerde leger in de regio terug te slaan. Op 17 augustus arriveerde het leger van Bedford bij Verneuil De Schotten overtuigden de Fransen ervan om slag met de Engelsen te leveren. In een veld ten noorden van Verneuil werd er slag geleverd. De graaf van Salisbury, Thomas Montacute kreeg de opdracht van Bedford om het Schotse leger te verslaan. Het geallieerde leger van Fransen en Schotten zagen al snel een kans om het Engelse leger aan te vallen toen zij bezig waren met enkele voorbereidingen. In hun opportunisme voor een snelle overwinning vielen de Schotten en Fransen aan. Door hun opportunisme maakte ze al snel een fout om hun flanken open te laten. Hierdoor kon Bedford vrij gemakkelijk het leger van de zijkant naderen en was het vrij gemakkelijk om het gecombineerde Frans-Schotse leger te slachten.
    De Engelsen verloren 1.600 man van de 8.000 man inzet, de Schots/Franse troepen verloren 6.000 tot 10.000 man van een inzet van 14.000-16.000 man.
  • Slag van Worchester:
    Deze vond plaats op 3 september 1651 in Worcester , Engeland en was de laatste slag van de Engelse Burgeroorlog. Oliver Cromwell's parlementair New Model Army (28-31.000 sterk) versloeg Koning Charles II's 16.000 koningsgezinden, van wie de overgrote meerderheid Schots was. De parlementariërs verloren 200 man, de royalisten 3.000 en er werden 10.000 man gevangengenomen. Van deze laatste groep werden er 8.000 gedeporteerd naar New England, Bermuda en West-Indië om er te werken voor landeigenaren als contractarbeiders.
    De Slag bij Worcester bezegelde de derde Engelse Burgeroorlog.
    Wat ging er aan vooraf?
    In de jaren 1642-1646 hadden de parlementaire troepen van de puritein Cromwell (roundheads) en de royalisten (cavaliers) hun eerste oorlog uitgevochten, van 1648 tot 1649 de tweede en reeds voordat het jaar 1649 voorbij was, begon de derde oorlog.
    De verhouding tussen het Schotse koningshuis Stuart, dat in 1603 ook in Engeland op de troon was gekomen en het protestantse deel van de bevolking was al tientallen jaren gespannen. De koning beknotte de vrijheden van het volk en de rechten van het parlement.
    In de jaren veertig kwamen de politieke en kerkelijke tegenstellingen tot een uitbarsting. Worcester was meermalen strijdtoneel. Kanonskogels brachten de middeleeuwse muren zware schade toe.
    Koning Charles I week uit naar Schotland, werd daar gearresteerd, uitgeleverd aan Engeland en in 1649 berecht en onthoofd. Engeland werd een republiek, waar Cromwell tot zijn overlijden op 3 september 1658 -precies zeven jaar na de beslissende Slag bij Worcester- aan het roer stond. Hij is de redder van het Engelse protestantisme genoemd.
    Charles II was in 1646 met zijn moeder naar Frankrijk gevlucht. In 1650 werd hij door de Schotten als koning erkend en op 1 januari 1651 gekroond. Hij rekruteerde een leger en marcheerde Engeland binnen. Op 22 augustus bereikte hij Worcester. Daar werd zijn leger op 3 september echter vernietigend verslagen door de parlementaire troepen.
  • Strathclyde-Britten:
    Deze Keltische Britten woonden in Strathclyde of Ystrad Clud, wat "prachtige monding" betekent en was gesitueerd in Zuid-Schotland en Noord-Engeland. Ten noorden woonden de Picten, met Schotten beneden Loch Lomond. Het huidige Ierland was indertijd volledig ingepalmd door Schotten.
    De gesproken taal was "Cumbric" (Cumbrisch, een Brits-Keltische taal), verwant aan het Oude Welsh en Cornish (talen uit Wales en Cornwall).
    De naam Strathclyde (Strathcluaide) betekent "de rivier Clyde doorkruisen".
  • Subsidy Rolls van Sussex (1524 - 1525):
    De Lay Subsidy Rolls for the county of Sussex bevatten belastinggegevens en zijn een waardevolle bron van historische informatie. Ze waren gerangschikt per provincie.
  • Sept:
    Een "sept" is de benaming voor een familieafdeling, voornamelijk in Schotland en Ierland. Het kan vertaald worden als "sliocht", wat "zaad" betekent. Leden van een sept zijn dus afstammelingen. Het woord zelf heeft een latijnse oorsprong als "saeptum", dat o.a. "bijgevoegd" betekent
  • Schotse Onafhankelijkheidsoorlogen (Wars of Scottish Independence):
    Dit was een reeks van militaire campagnes tussen Schotland en Engeland in de late 13de en vroege 14de eeuw. De Eerste Oorlog (1296-1328: 32 jaar durend!!!) begon met de Engelse invasie van Schotland in 1296 en eindigde met het ondertekenen van het Verdrag van Edinburgh-Northampton in 1328). De Tweede Oorlog (1332-1357: 25 jaar durend!!!) begon met de door de Engelsen gesteunde nvasie van Edward Balliol en de "onterfden" in 1332 en eindigde rond 1357 met het ondertekenen van het Verdrag van Berwick. Beide oorlogen maakten deel uit van een grote nationale crisis in Schotland en waren één van de belangrijkste momenten in de Schotse geschiedenis. Aan het einde van beide oorlogen was Schotland nog steeds een vrije en onafhankelijke natie, wat haar voornaamste doel was gedurende de conflicten. Het betekende ook de opkomst van de handboog als voornaamste wapen in de middeleeuwse oorlogsvoering.
  • Sub-vicecomes:
    Latijnse benaming om een ondersheriff aan te duiden.
  • Territoriaal:
    Tot een grondgebied behorende of verwant zijn aan de naam van een grondgebied.
  • Teutoons:
    De Teutonen waren een Germaanse stam, die haar oorsprong had in het Deense waddengebied, Jutland of zuidelijk Scandinavië.
  • Thane:
    De Thanes in Engeland waren vroeger personen van enige waardigheid; er waren twee "soorten", de "koninklijke", die dicht bij de koning verbleven en landeigendommen van hen bezaten en de "volkse", die bezitters van landhuizen waren en die binnen hun grenzen bijzonder bevoegd waren. Na de Normandische verovering werd deze titel niet meer gebruikt en werd de titel ingenomen door deze van "baron".
  • The Restoration (herstel van de Stuart monarchie):
    De herstel van de Stuart-monarchie in de koninkrijken van Engeland, Schotland en Ierland vond plaats in 1660 toen koning Karel (Charles) II terugkeerde uit ballingschap in Europa. De voorafgaande periode van het protectoraat en de burgeroorlogen, werd bekend als het Interregnum (1649–1660).
    De term Restauratie (restoration) wordt ook gebruikt om de periode van enkele jaren daarna, waarin een nieuwe politieke regeling werd ingesteld te beschrijven. Het wordt heel vaak gebruikt om het hele bewind van Charles II (1660–1685) te dekken en vaak het korte bewind van zijn jongere broer James II (1685–1688). In bepaalde contexten kan het worden gebruikt om de hele periode van de latere Stuart-vorsten te dekken, tot aan de dood van koningin Anne en de toetreding van de Hannoveraan George I.
  • Toft:
    Hofstede, grote boerderij.
  • Valet:
    Specifiek type kamerheer/lakei (voor mannen) of kamenier (voor vrouwen).
  • Verdrag van Berwick (Treaty of Berwick):
    Er zijn méér verdragen ondertekend met die naam, maar het eerste was van groot belang en werd ondertekend in oktober 1357, waarin bepaald werd dat Edward III van Engeland de gevangenschap ophief van David II van Schotland.
    Andere verdragen van Berwick zijn:
    1526: Een driejarig vredesverdrag van de Graaf van Angus met Engeland om zijn macht over James V te beveiligen.
    1560: Tussen "Duc du Chatelherault" (als 2de persoon van Schotland) en koningin Elisabeth I, met de afspraak om gezamenlijk op te treden om de Fransen uit Schotland te verdrijven.
    1586: Een wederzijdse defensie tussen koningin Elisabeth I van Engeland en koning James VI van Schotland.
    1639: Tussen Engeland en Schotland om de Eerste Bisschoppenoorlog te beëindigen.
  • Verdrag van Edinburgh-Northampton (Treaty of Edinburgh-Northampton):
    dit vredesverdrag tussen de koninkrijken van Engeland en Schotland werd op 17 maart 1328 ondertekend en bracht een einde aan de Eerste Schotse Onafhankelijkheidsoorlog. De ondertekenaars waren Robert The Bruce (koning van Schotland), die tekende in Edinburgh en het Engelse Parlement, dat tekende in Northampton twee maanden later op 1 mei 1328. Het volledige document werd in de Franse taal opgesteld.
    De voorwaarden van het verdrag waren dat de Engelse Kroon Schotland zou erkennen als een onafhankelijk Koninkrijk en Robert The Bruce en zijn opvolgers als rechtmatige heersers van Schotland. De grens tussen Schotland en Engeland werd bepaald zoals werd bepaald in het Verdrag van York, opgesteld onder het bewind van Alexander II.
  • Verdrag van York (Treaty of York):
    Dit verdrag werd in 1237 getekend tussen Hendrik III van Engeland en Alexander II van Schotland. Het legde de grens vast tussen Engeland en Schotland, een grens die liep van de Solway Firth in het westen tot de monding van de Tweed in het oosten. Tot op heden is dit de grens van Engeland en Schotland, met uitzondering van Berwick-upon-Tweed. Deze stad bleef lange tijd een twistgebied en kwam pas in 1482 definitief in Engelse handen. Bij dit verdrag hoorden ook de Orkney- en Shetlandeilandengroep. Het hield ook in dat Schotland afzag van zijn aanspraken op Northumbria ten zuiden van de Tweed en Cumbria.
  • Verklaring van Arbroath (Declaration of Arbroath):
    Dit is een verklaring van de Schotse onafhankelijkheid, opgemaakt op 6 april 1320. Het was een in het Latijn opgestelde brief, die voorgelegd werd aan o.a. paus Johannes XXII, bedoeld om de status van Schotland te bevestigen als onafhankelijke, soevereine staat, zodat deze het recht had om militaire actie te gebruiken bij onterechte aanvallen.
    De brief werd geschreven in de Abdij van Arbroath door de Schotse minister Bernard van Kilwinning en de Abt van Arbroath.
  • Vestiarium Scoticum:
    Het Vestiarium Scoticum was een boek dat voor het eerst werd gepubliceerd in 1842 door William Tait van Edinburgh in een beperkte oplage. John Telfer Dunbar noemde het in zijn baanbrekende werk "History of Highland Dress", "waarschijnlijk het meest controversiële kostuumboek dat ooit is geschreven".
    Het boek zelf is naar verluidt een reproductie, met kleurenillustraties, van een 15de-eeuws manuscript over de clantartans van Schotse families. Kort na de publicatie werd het als vervalsing aan de kaak gesteld en de "Stuart"-broeders die het voortbrachten, werden ook aangesproken als bedriegers omdat ze beweerden de kleinzonen van Bonnie Prince Charlie te zijn. Het wordt tegenwoordig algemeen aanvaard dat noch de broers zelf, noch het Vestiarium zijn wat ze zouden zijn.
    Desalniettemin is de rol van het boek in de geschiedenis van Schotse tartans enorm.
  • Voorganger (prebendary):
    Een lid van de anglicaanse of rooms-katholieke geestelijkheid met een rol in het bestuur van een kathedraal of collegiale kerk. Bij het bijwonen van de diensten zitten prebendaries op bepaalde stoelen, meestal aan de achterkant van de koorbanken.
  • Wars of the Covenant:
    De Covenantersoorlogen, waren een reeks verstrengelde conflicten die duurden van 1639 tot 1651. Ze kunnen opgedeeld worden in de Bisschoppenoorlogen (1639-1640), de Engelse Burgeroorlog (1642-1651) en de Oorlogen van de Drie Koninkrijken (1644-1651).
  • Willem de Veroveraar (William The Conquerer):
    Willem I (ca 1028 – 9 september 1087), ook bekend als Willem de Veroveraar (Guillaume le Conquérant), was de eerste Normandische koning van Engeland van Kerstmis 1066 tot zijn dood. Hij was ook Hertog van Normandië van 1035 tot zijn dood, onder de naam Willem II. Vóór zijn verovering van Engeland, stond hij bekend als Willem de Bastaard omdat hij een buitenechtelijk kind was. Om zijn aanspraken op de Engelse kroon kracht bij te zetten viel Willem in 1066 Engeland binnen. Hij leidde een leger van Normandiërs, Bretons, Vlamingen en Fransen naar de overwinning op de troepen van de Engelse koning Harold II in de Slag bij Hastings. De daaropvolgende Engelse opstanden werden door hem onderdrukt in wat bekend is geworden als de Normandische verovering van Engeland.
  • William Wallace:
    Sir William Wallace van Ellerslie (Elderlie, bij Paisley), circa 1272 – Londen, 23 augustus 1305) was een Schotse patriot, die zijn land leidde tegen de Engelse bezetting en tegen koning Edward I van Engeland tijdens de Eerste Schotse Onafhankelijkheidsoorlog.
    Hij werd geroemd voor zijn tactiek tijdens de Slag bij Stirling Bridge.
  • Yorkshire Poll Tax (Subsidy) Rolls:
    Middeleeuwse database van de personenbelasting, die raadpleegbaar is in het Archeologisch en topografisch dagboek van Yorkshire (graafschap in het noorden van Engeland).

De verklaring van Arbroath (Declaration of Arbroath).
Het is duidelijk geen liefdesverklaring aan de Engelsen.